Wat er ook gebeurt, het dorp zwijgt

Het is een rijk, uit de krachten gegroeid dorp, met ambitieuze inwoners die graag feesten en blowen. Volendam is een trekpleister met een duistere kant. Journalist Boudewijn Smid streek er een jaar neer en sprak bijna iedereen.

Een Volendamse bij de bedstee Foto Spaarnestad

De mooiste stoomboot, met de mooiste Sinterklaas, arriveert jaar na jaar in Volendam. Dat kan ook niet anders, in deze levende koektrommel, zoveel Hollandser dan Holland, afgesloten met deksels van roestvrij staal. Eén keer mocht ik meekijken. Het ritueel begon in de schemer en het hele dorp zie je op zo’n namiddag in het laatste licht naar de haven lopen: opgewonden kinderen met hun ouders, de flitsende meiden van café Lennon’s, de snelle jongens van Bart Smit, Kras Recycling en garnalenmagnaat Klaas Puul. In de rij kleine huizen langs de dijk is geen gordijn gesloten, je staart recht in het rijke binnenleven van het dorp: daar zit een gezin om de tafel – ze eten vroeg! –, daar gaapt een man op een bank voor de tv, een kind met Lego, een vrouw met een boek, niets in het dorp mag en zal verborgen zijn. De ruiten blinkend, de voortuin strak betegeld,zo gaan we hier met elkaar om.

Na lang wachten doemt dan, uit de laatste schemer, de boot op, tergend langzaam. Sinterklaas zwaait, pieten springen in het rond, er is warempel een echt wit paard aan boord en uit een nagemaakte pijp vliegen de stoomwolken in het rond. De hele kade zingt mee, honderden stralende gezichten, vuurwerk knalt, Sinterklaas staat weer op de kade, alles is weer zoals het was en altijd hoort te blijven.

Volendam is over de hele wereld bekend vanwege een handvol pittoreske huisjes en de bekende Volendamse klederdrachten, maar tegelijkertijd is het de vestigingsplaats van een fors aantal bouw- en internetbedrijven, een paradijsje voor de muziekliefhebber – de ‘palingsound’ van de tientallen Volendamse zangers en rockbands is befaamd – en de thuisbasis van de kampioensclub FC Volendam.

Het is een rijk dorp: het gemiddelde jaarinkomen per huishouden is 6.000 euro hoger dan in de rest van Nederland, en dan is het omvangrijke zwarte circuit niet meegerekend. Het is, in sommige opzichten, een ruig dorp: het drankgebruik van de jeugd mag er wezen. Het is een opvallend gesloten dorp: weinig Volendammers trekken weg, ‘ons’ trouwt al eeuwenlang met ‘ons’ – al wordt er door ouders en grootouders wel gewaarschuwd als het object van een ontluikende liefde ‘te dichtbij staat’. En nog altijd is het, als door en door katholieke gemeenschap, een buitenbeentje in het verder zo calvinistische Hollandse hart.

‘Twintig minuten rijden en ik belandde in het buitenland,’ schrijft de journalist Boudewijn Smid over het Volendam waar hij zich een jaar lang aan overleverde. Hij betrok er, via een kennis, een huisje, dronk mee, feestte mee, viste mee, zong mee en praatte ondertussen met bijna iedereen die er in het dorp toe deed, van de pastoor en de schooldirecteur tot en met de dorpsheilige Hille Kok – gebeden 10 eurocent, liefdeskruisjes 3 euro – en de jongens van de nieuwste rockgroep AlascA. Smid, ooit werkzaam als taalkundige bij het Meertens Instituut, keek, analyseerde en las zich een slag in de rondte. Het resultaat, Enclave Volendam, werd zo niet alleen een scherpzinnig portret van dit uitzonderlijke dorp, het is ook een schoolvoorbeeld van zogenaamd ‘slow journalism’, van het kalm doorgraven, van het eindeloos luisteren en telkens weer terugkomen.

Traditie en moderniteit

Volendam is in veel opzichten een uit zijn krachten gegroeid dorp zoals er in Nederland zoveel zijn, worstelend om een balans te vinden tussen traditie en moderniteit, tussen de intimiteit van het eigen erf en de dynamiek van de rest van de wereld. Twintig jaar geleden werkte ik aan een soortgelijk project in het Friese dorp Jorwerd, en de overeenkomsten zijn onmiskenbaar. Waar de boerendochters, als ze in Jorwerd uitgingen, in de spiegel controleerden of ze er niet al te opvallend uitzagen – ‘In de stad doen we precies het omgekeerde’ –, zo rijdt in Volendam ieder echtpaar op dezelfde soort sportfietsen en in dezelfde soort auto’s – ‘Ze zijn als de dood er niet bij te horen’. Werd in Jorwerd de oude Sije Hogerhuis soms de mond gesnoerd omdat hij niet in het dorp was geboren – hij woonde er al sinds 1929 –, in Volendam wordt iedereen die geen oer-Volendammer is tot de dag van vandaag aangeduid als een ‘jas’, iemand die niet, als een normale visser, een pofbroek en klompen draagt. Toch is alles in Volendam wilder en extremer dan in een doorsnee Nederlands dorp, wranger soms ook.

Dat heeft veel te maken met de geografie. Eeuwenlang vormden de Volendammers een geïsoleerde en straatarme vissersgemeenschap aan de voet van de dijk. Het dorp was eigenlijk een eiland, en zo werd het ook door de bewoners beleefd. Het was alleen vanuit zee gemakkelijk te bereiken. Aan de landzijde lag voornamelijk moerassige grond. De enige verbinding naar het naburige stadje Edam was een modderig kerkpad met een dozijn planken over evenzoveel sloten. Edam, dat was voor de Volendammers de staatsmacht, en die haatten ze. Vanouds was het een helse klus om in Volendam belastingen te innen en nog altijd worden regels er weggewuifd als gezeur – wat er ook gebeurt, van drugshandel tot een gruwelijke brand, het dorp zwijgt. Het was niet toevallig dat het dorp aan het eind van de 19de eeuw door het vroege toerisme werd ontdekt. Volendam gold als een laatste overblijfsel van het ‘zuivere’ Holland, een weerbarstige gemeenschap waar de eeuwenoude mutsen, kappen, borstrokken, pofbroeken en klompen nog dagelijks werden gedragen en waar men zelfs nog het oude Waterlandse dialect sprak. In Amerika, waar in die periode juist weer grote behoefte bestond aan vaste Europese ankers, ontstond zelfs een ware ‘Holland Mania’ – een fenomeen dat vakkundig werd aangejaagd en geëxploiteerd door de Volendamse hotelhouder Leendert Spaander en zijn beeldschone dochters.

Van Spaanse afkomst zijn de Volendammers niet, al hoort dat verhaal ook bij de Volendamse traditie. Volgens Boudewijn Smid is waarschijnlijk zelfs het tegendeel het geval: ‘het anders-zijn van Volendammers moet juist verklaard worden uit de afwezigheid van genetische en culturele invloeden.’

Wel zijn veel Volendammers opvallend knap: rijzig van gestalte, lichte ogen, een mooie blanke huid. De Franse en Engelse schilders waren dol op de Volendamse modellen en ook Frederik van Eeden was diep onder de indruk. ‘Het is verbazingwekkend zoals dat plaatsje mij boeit, met het Hollandse oerras, dat er nog in krachtigen bloei verkeert,’ schreef hij in de zomer van 1915. Zijn aandacht werd met name getrokken door de plaatselijke schone Hille Buter, ‘een mooi, aardig vrouwtje, gelukkig getrouwd met een varensgezel.’ Hille zou later, op eigen initiatief, scheiden, de eerste in het dorp. Zelfs prins Hendrik kwam, naar verluidt, graag bij haar op de koffie.

Toen ik met Jorwerd bezig was viel me één ding vooral op: veel elementen van de traditionele boeren- en dorpsculturen, die overal in de internationale literatuur worden beschreven, kunnen ook in een modern Nederlands dorp nog pal onder de oppervlakte aanwezig zijn. Bijvoorbeeld als het gaat om de rol van de familie, of om de sobere omgang met geld binnen boerengezinnen. Ook in Volendam signaleert Smid nog overal de culturele resten van de arme overlevingssamenleving die het plaatsje ooit was. Bijvoorbeeld in de opvallend felle ambitie die de Volendammers voortdurend ten toon spreiden, of het nu gaat om het voetballen, om de muziek of om al die bedrijven die vanuit Volendam Nederland en de wereld veroveren. Knokken om te overleven. Of in, een mooi detail, in de talloze busjes met bouwvakkers die ’s ochtends vanuit het dorp het land intrekken en die om een uur of vier terugkeren, ‘een vloot van rubber en blik’ zoals Smid zo mooi schrijft, die doet denken aan de Volendammer visserschepen die ooit in een soortgelijk ritme de zee opvoeren en weer terugkeerden.

Oud is vies

Tegelijkertijd is het beeld van de toeristen, het beeld van Volendam als exotische en zelfs utopische plaats, ook een deel geworden van de identiteit van de Volendammers zelf. Niet dat ze zo trots zijn op het ‘echte’ Volendam. Onder het motto ‘oud is vies’ hebben ze bijna alle originele dijkhuisjes gesloopt en herbouwd met hedendaags bouwspul uit de Gamma. Iedereen in Volendam draagt moderne kleding, alleen een paar gidsen en serveersters lopen nog in klederdracht. Het maakt de toeristen allemaal niets uit. Het gaat hen om de herinnering aan het oude vissersdorp, schrijft Boudewijn Smit, ‘die in leven wordt gehouden door een permanent toneelstuk’. Dat toneelstuk is ook de enige interactie die tussen de Volendammers en de toeristen plaatsvindt. Toch is het een toneelstuk waarin, zoals dat vaker gaat, de acteurs zelf zijn gaan geloven, en hoe.

Volendam is de laatste jaren meer geworden dan een dorp, meer dan een bekende toeristenplaats. Het is een merk. Jan Smit veroverde Nederland met zijn Volendamse soap Gewoon Jan Smit, op de bladenmarkt maakt het Volendamse damesblad 100%NL Magazine furore: kernwaarden ‘sympathiek, vertrouwd, herkenbaar, toegankelijk, leuk en Nederlands’. Dat sentiment is begrijpelijk: naarmate de wereld sneller verandert wordt de behoefte aan ‘thuis’, ‘eigenheid’ en ‘plaats’ groter. Dat hoeft niet een natie te wezen, dat kan net zo goed een stad of een dorp zijn. Boudewijn Smid: ‘De Volendammer ziet zijn dorp als het paradijs. Daarom wil hij niet weg en heeft hij er veel voor over om zijn dorp te behouden.’ En, inderdaad, Geert Wilders wordt er ontvangen als een popster.

Alleen: het leven in het besloten, presterende en feestvierende paradijs Volendam heeft wel degelijk zijn prijs – een prijs die uiteraard vakkundig en gewelddadig buiten beeld wordt gehouden. Er is een levendige traditie in drugssmokkel. Coke en wiet zijn in het hedendaagse Volendam gemakkelijker te krijgen dan paling. Naast een ‘drankpot’ hebben de meeste vriendenclubjes ook een vaste ‘drugspot’. Cokesletjes zijn in het dorp een bekend fenomeen. Een van de gebruikers: ‘Dat tachtig procent aan het spul zit is een juiste inschatting, en ik kan het weten. Volendam is een vreselijke plek.’ Het afgelopen voorjaar vonden er vier zelfmoorden plaats, binnen twee weken.

In zekere zin is Nederland nog altijd een Volendam in het groot: open naar de zee, modern en soms zelfs wild vooruitstrevend, tegelijkertijd vaak afkerig van het continent en al het onbestemde onheil dat daaruit voorkomt, geneigd ook tot een sterke gerichtheid op het eigene omdat daarbuiten voor zo’n dorp, althans in politiek opzicht, toch niets te bereiken valt.

Volendam is een voorbeeldig dorp. Het is tegelijk, en ook dat laat Boudewijn Smid overtuigend zien, een veilige, aangename, herkenbare, leuke en vertrouwde leugen.