Waar Roemenië nog steeds over zwijgt

Als Duitslands trouwste bondgenoot vochten de Roemenen hun eigen massamoord tegen de Joden uit. Op eigen gebied kwamen tussen de 250.000 tot 400.00 Joden om. Ook daarbuiten moordden ze.

De meeste van de zes miljoen Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn omgebracht, gingen niet in overladen treinen naar Auschwitz en andere moordfabrieken. Ze werden op talloze plekken in Oost-Europa met honderden of duizenden tegelijk doodgeschoten, in een ravijn of in een bos, aan een rivieroever of op een kerkhof dicht bij huis. In Blutiger Juli ontrafelt de Zwitserse diplomaat en historicus Simon Geissbühler een hoofdstuk van deze ‘Holocaust door kogels’. Hij laat ook zien dat er niet alleen Duitse Einsatzgruppen aan het werk zijn geweest.

Bij de aanval op de Sovjet-Unie in juni 1941 was Roemenië Duitslands belangrijkste bondgenoot. Het heroverde Bessarabië (huidig Moldavië) en de Boekowina (streek in het noorden van Roemenië en het westen van Oekraïne), een jaar nadat Stalin ze had afgepikt. Daarna trok het Roemeense leger door naar Sovjetgebied om tussen de rivieren de Dnjestr en de Zuidelijke Boeg de Groot-Roemeense provincie Transnistrië te vormen, met Odessa als hoofdstad.

Weinig bekend is dat de Roemenen hier hun eigen, in Geissbühlers woorden, welbewuste en geplande vernietigingsoorlog tegen de Joden hebben uitgevochten. In een maand schoten ze volgens zijn ( conservatieve) schatting in Bessarabië en de Noord-Boekovina tenminste 43.500 Joden dood. Daarbij kregen ze hulp van de plaatselijke Roemeense en Oekraïense bevolking, die actief aan de moordpartijen deelnam.

Zijn studie voegt een belangrijk stuk aan onze kennis toe, maar is niet geheel uitgebalanceerd. Geissbühler beperkt zich tot de historische feiten van juli 1941 en biedt alleen in het slothoofdstuk over de tekortschietende Roemeense Vergangenheitsbewältigung een breder perspectief. Wie wil vaststellen dat de Roemenen op de vernietiging van de Joden uit waren, kan niet heen om hun behandeling elders in Roemenië en Transnistrië.

Ergens in een bijzin laat de auteur vallen dat van de bijna 800.000 Joden die op door Roemenië gecontroleerd gebied woonden er in totaal tussen de 250.000 en 410.000 in de oorlog werden vermoord. Tienduizenden moesten in dagen durende ‘dodenmarsen’ uit de Boekowina en Bessarabië naar concentratiekampen in Transnistrië lopen om er samen met de plaatselijke Joden massaal om te komen als gevolg van honger, ziekte of uitputting of door de kogel.

Dat redt de reputatie van Roemenië dus niet, al was het percentage overlevenden hier een stuk hoger dan in Duits bezet gebied en blijft de vraag onbeantwoord waarom de Roemenen niet naar Duits voorbeeld alle Joden meteen ter plekke in de Boekowina en Bessarabië doodschoten.

Alleen weggestopt in een noot achterin zegt Geissbühler iets over het lot van de Joden in Roemenië zelf. De Roemeense dictator Antonescu weigerde hen naar de gaskamers te sturen, zo blijkt, wat de auteur verklaart als Realpolitik en cynisch pragmatisme na de verloren slag bij Stalingrad. ‘Dat de meeste Joden van het oude Roemenië gespaard bleven, verandert niets aan het feit dat Roemenië uit eigen beweging, actief en autonoom massamoord op de Joden pleegde’, aldus de noot. Dat mag zo zijn, het verzwakt wel Geissbühlers stelling van welbewuste vernietiging. Een beknopt overzicht van de behandeling van de Joden in het gehele Roemeense gebied tijdens de oorlog had niet misstaan.

Terecht vindt Geissbühler de Roemeense omgang met het Joodse verleden en de Holocaust volstrekt ontoereikend. Net als in Roemenië wil men er ook in Oekraïne liever niet aan herinnerd worden. Dat onderstreept het belang van het tweede besproken boek, over de Holocaust door kogels op Oekraïens grondgebied: Geboren om te lijden? Een uniek verslag van de Holocaust in Oekraïne 1941-1944. Aansluitend bij Geissbühlers onderwerp besteedt het vooral aandacht aan Transnistrië, nu het zuidwesten van Oekraïne.

Er komen 33 overlevenden in Israël en Oekraïne aan het woord, die vertellen over de schokkende gebeurtenissen die ze zeventig jaar geleden hebben meegemaakt. Over de intocht van Roemeense soldaten in Soroki aan de Dnestr zegt bijvoorbeeld Sara Kiegelman: ‘Alle dorpsbewoners gingen naar buiten om ze te begroeten met brood en zout. Maar onmiddellijk begonnen ze de rabbi’s te slaan en hun baard uit te trekken. Moldaviërs en Oekraïners uit de omliggende dorpen kwamen ons beroven. Ze gingen al plunderend van huis tot huis.’ Valentina Maykis uit Toeltsjin vertelt: ‘Sommige mensen leefden nog toen ze de massagraven werden ingesmeten. De grond leek te ademen en te kreunen. Ze gooiden de lichamen op elkaar, op rijen. Toen er niemand meer over was om in de kuil te gooien kwamen de soldaten om de lichamen te beroven van gouden tanden en gouden ringen.’

Gezien de gebrekkige omgang met het eigen Joodse verleden moeten zulke boeken in de eerste plaats verschijnen in het land waar dit zich heeft afgespeeld. Blijkens het colofon is dat ook gebeurd. Op wat voor schaal en met welk effect is onbekend, maar alle beetjes helpen. Voor een Nederlands publiek gelden andere eisen, waaraan dit nogal onbeholpen uitgevoerde boek niet helemaal voldoet. Geboren om te lijden? is als titel niet alleen erg heftig maar in feite onbegrijpelijk.

Daarnaast is het amateuristisch gehalte hoog. Essentiële informatie ontbreekt soms bij de getuigenissen of is inadequaat; andere gegevens worden keer op keer herhaald, en namen zijn verhaspeld. Onbekommerd is de Sovjetterminologie van ‘fascisten’ voor de daders overgenomen. Slachtofferaantallen lijden aan de in zulke literatuur gebruikelijke inflatie. En wat moet de lezer met de religieuze symboliek een zin als: ‘maar kracht van Boven bewaarde het gezin van Riva door dit alles heen’. Waar was die kracht in al die andere gevallen?