Van schraal naar Superdutch

Bernard Hulsman geeft niet alleen een overzicht van de Nederlandse architectuur vanaf 1985, maar durft ook stelling te nemen.

Leliënhuyze, het kasteelachtige woningcomplex in Haverleij, bij Den Bosch, ontworpen door Soeters Van Eldonk architecten Foto Luuk Kramer

Een geschiedenis van een kwart eeuw Nederlandse architectuur staat uiteraard vol beelden, maar ééntje zal mij na het lezen van Double Dutch het meeste bijblijven. Architect Sjoerd Soeters nodigde eens een delegatie van rijksadviseurs uit om zijn bekritiseerde ‘retro’-architectuur in het echt te komen bekijken, de vinexwijk Haverleij bij Den Bosch. Rijksbouwmeester Mel Crouwers had de wijk, opgebouwd in kasteelachtige woningcomplexen, ‘verschrikkelijk’ genoemd. Toen de bus aankwam, weigerde één adviseur om uit te stappen.

Een mokkende adviseur, armen stug over elkaar, in een bus in een kasteel-vinexwijk: dat vat het architectuurdebat in Nederland van de laatste decennia aardig samen. Het is de combinatie van kleinzieligheid en verbetenheid, van pesterijtjes en vasthouden aan heilige principes die achter veel architectonische ontwikkelingen in Nederland blijkt schuil te gaan. Soeters vertelde de anekdote eens in een interview aan Bernard Hulsman, die als architectuurcriticus voor deze krant een groot overzicht heeft en uit zijn parate kennis de juiste details weet te kiezen om dit verhaal smaakvol te vertellen.

Het verhaal van Double Dutch is dat van een uitgestelde bloeiperiode, van de ‘schraalheid’ in het midden van de jaren tachtig, tot de grote explosie van ‘superdutch’ rond de eeuwwisseling. Hulsman, als politicoloog geschoold, heeft daarbij veel oog voor de invloed van bestuurders en beleidsmakers op de architectuur. Zo bleef Nederland aanvankelijk juist achter bij de internationale vernieuwingen. Terwijl in omringende landen allerlei postmoderne gebouwen verrezen, bleef Nederland in de jaren tachtig in Hulsmans woorden ‘het Cuba van de moderne architectuur’.

Hoofdverantwoordelijk hiervoor was de invloedrijke architect Aldo van Eyck (1918-1999), die in 1981 het postmodernisme op één lijn plaatste met de nazi-architectuur van Albert Speer. Wie niet fout wilde zijn na de oorlog, moest zich tot Bauhaus en het modernisme beperken. Pi de Bruijn werd door zijn vrienden niet meer aangekeken nadat hij de uitbreiding van de Tweede Kamer had gemaakt, die net iets te monumentaal en klassiek was naar de heersende smaak.

Bescheidenheid is, zoals bekend, niet de meest in het oog springende eigenschap van architecten. Daarom is een architectuurgeschiedenis ook een geschiedenis van ego’s en invloeden, vetes en kongsi’s. Voor buitenstaanders is het minder zichtbaar, maar achter al het bouwen en ontwerpen van ons land blijkt een typisch Nederlands ‘debat’ te woeden: fel en moralistisch (‘gepolariseerd’ zoals dat heet), waarbij de opponenten elkaar vroeg of laat onvermijdelijk met Hitler om de oren slaan.

Neem de Luxemburger Rob Krier, bekend van zijn traditionalistische of ‘retro’-architectuur (zoals de Helmondse vinexwijk Brandevoort, een nagemaakt vestingstadje). Die wordt nog net niet, zoals in Duitsland, door de critici als een fascist beschouwt, maar een Parool-criticus merkte wel op dat achter de gevels van zijn Amsterdamse woningcomplex ‘De Meander’ veel PVV-stemmers zullen wonen. Traditionalistische architectuur staat bij critici zo niet verdacht dan wel als bedenkelijk te boek.

Double Dutch, is, hoe schijnbaar onpartijdig Hulsman alles ook brengt, een gedurfd boek. Voor ingewijden is het een behoorlijke provocatie om Rob Krier ‘de invloedrijkste architect in het Nederland van begin 21ste eeuw’ te noemen. Terwijl daar wel degelijk veel voor is te zeggen. Nederlanders wonen nu eenmaal het liefste in huizen met puntdaken en rode dakpannen en hebben over het algemeen weinig op met, bijvoorbeeld, de door critici tot beste gebouw gekroonde Kunsthal van Rem Koolhaas, waar ze de ingang niet van kunnen vinden en die erg onpraktisch is.

Dankzij de verzelfstandiging van de woningbouwcorporaties na 1994 werd er veel meer ontworpen naar de smaak van het publiek en kon het traditionele bouwen voet aan de grond krijgen en kwam er een einde aan wat Carel Weeber ‘staatsarchitectuur’ had genoemd. Die traditionele bouwstijlen moest dan wel eerst uit het buitenland geïmporteerd worden, zodat het ironisch genoeg buitenlanders waren als Rob Krier (Luxemburg), Charles Vandenhove (België), Michael Graves (V.S.) en Adolfo Natalini (Italië) die ‘onze’ mooie grachtengordels, vestingstadjes, kastelen en boerderijen in vinexvorm lieten herrijzen.

Double Dutch beschrijft de botsing tussen supermodernisten als Koolhaas enerzijds en de retro’s en postmodernisten aan de andere kant, die uit eerdere overzichten waren weg gepoetst of in elk geval onderbelicht gebleven.

De explosie van schraalheid naar Superdutch heeft iets weg van een strandbal die je onder water houdt en dan ineens loslaat zodat die metershoog de hemel in schiet. De vraag is of inmiddels niet de neerwaartse lijn is ingezet en we in de toekomst weer terug zijn bij de schrale jaren.

De cijfers zijn niet veelbelovend, en Hulsman somt ze nog eens op: de helft van het aantal architecten dat in 2007 werkzaam was, zit nu zonder werk, architectuurinstituten worden opgedoekt of samengevoegd, subsidies drogen op, woningcorporaties zijn niet meer in staat woningen te bouwen. Hergebruik, restauratie, renovatie en kleinschalig particulier opdrachtgeverschap vormen volgens Hulsman de toekomst van de Nederlandse architectuur.

De strandbal is neergevallen en dobbert rond, verloren, leeggelopen. Gelukkig hebben we de foto’s nog.