Psychologie vs kritiek: 10½-2½

Dertien sociaal-psychologische onderzoeken zijn opnieuw gedaan in een massale vragenlijst. Tien goed, twee fout, een onbeslist.

Het klopt! Wanneer mensen geld betaald hebben voor een kaartje voor een voetbalwedstrijd, is de kans groter dat ze zelfs willen gaan als het die dag gruwelijk koud is, dan wanneer ze een vrijkaartje hebben gekregen. En vrouwen staan inderdáád gemiddeld negatiever tegenover wiskunde dan mannen. En als mensen gevraagd wordt hoeveel tv ze per dag kijken op een schaal die loopt van ‘een half uur of minder’ tot ‘meer dan tweeënhalf uur’, geven – echt waar – minder mensen toe dat ze boven de tweeënhalf uur zitten dan wanneer de schaal loopt van ‘tweeënhalf uur of minder’ tot ‘meer dan vierenhalf uur’.

Dat zijn een aantal van de onderzoeksresultaten uit de sociale psychologie die hebben standgehouden in een replicatieproject waaraan meer dan vijftig psychologen hebben meegewerkt. De resultaten zijn deze week gepubliceerd op de website openscienceframework.org.

De betrokken psychologen waren op zoek gegaan naar onderzoek dat gemakkelijk, snel en online over te doen was en waarin slechts twee experimentele groepen met elkaar vergeleken werden. De dertien onderzoekjes die dat opleverde, werden tot één grote vragenlijst gecombineerd. Die werd vervolgens in verschillende landen, in zeven verschillende talen, afgenomen bij in totaal meer dan zesduizend proefpersonen (minstens 80 per lab). In deze replicatie van eenvoudig onderzoek hielden tien resultaten stand, twee niet, één was twijfelachtig.

De psychologen reageren met hun project op de kritiek dat experimenten in de psychologie vaak niet herhaald worden door onafhankelijke onderzoeksgroepen.

De dertien nu gerepliceerde onderzoeken vormen maar een heel klein deel van het totale vakgebied van de sociale psychologie. Er zitten wel klassieke resultaten bij, zoals het anker-effect (de bevinding dat mensen zich in numerieke oordelen laten beïnvloeden door een ongerelateerd getal dat ze net hebben gehoord) of de relatieve grote vrouwelijke afkeer van wiskunde. En ook onderzoek van psycholoog en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman (economie), die vorig jaar nog in een open brief aan zijn collega’s opriep om vooral elkaars werk te repliceren. Van hem werd onderzoek uit 1981 gerepliceerd, waaruit blijkt dat mensen bereid zijn meer risico te nemen om verlies te vermijden dan om winst te behalen.

De twee niet gerepliceerde psychologische resultaten hebben beide met priming te maken: het subtiel beïnvloeden van mensen door hun bijvoorbeeld een afbeelding zo kort of onopvallend te laten zien dat ze die niet bewust waarnemen. In het replicatie-onderzoek werden Amerikanen niet conservatiever nadat ze foto’s hadden bekeken waar op de achtergrond een Amerikaanse vlag op stond. En primen met de munteenheid van het eigen land leidde er ook niet toe dat mensen het meer eens werden met ‘het sociale systeem’ (met name de ongelijke verdeling van rijkdom) in hun land. In de originele studies waren die effecten wel gevonden.

De klassieke primingonderzoeken zijn veel complexer. Daarin moesten mensen bijvoorbeeld een woordpuzzel maken met woorden als ‘oud’, ‘bingo’ en ‘grijs’ erin (priming van het stereotype ‘oude mensen’), waarna ze langzamer de onderzoeksruimte verlieten dan mensen die geprimed waren met leeftijdsneutrale woorden. Op basis van dit project concluderen dat priming niet werkt, zou daarom onzin zijn.

Een onderzoeksresultaat bleef onbeslist: de vraag of mensen zin krijgen in contact met mensen uit bepaalde etnische groepen als ze zich net hebben voorgesteld dat ze met iemand uit zo’n groep een praatje hebben gemaakt. Dat écht (dus niet denkbeeldig) contact onder bepaalde voorwaarden leidt tot minder stereotypering is wel een klassiek resultaat, maar dat kan niet met simpel vragenlijstonderzoek vastgesteld worden.