Pikkie-precies

De warming-up van een scheidsrechter begint met een rondje om het speelveld. Ik controleer de hoekvlaggen, de netten van de doelen en kijk of er geen grote objecten te dicht langs de zijlijnen staan. Mijn entree op de grasmat heeft ook te maken met – in voetbaljargon – „een stukje uitstraling”. Ik draag een keurig trainingsjackje, schud in het voorbijgaan de handen van beide trainers en sluit mijn warmloperij ter hoogte van de middenlijn af met een aantal opzichtige sprintoefeningetjes, zodat ik zeker weet dat alle spelers diep onder de indruk zullen zijn van mijn fabelachtige conditie.

„Hé gast, moet je die scheids zien!”

„Hoe bedoel je?”

„Kijk die gozer eens lopen!”

„Wow, ik zie het ja. Wat een gedreven, jonge hond is dat!”

Vandaag gaat het anders. De weekenddienst heeft me op het laatste moment gebeld met de vraag of ik de leiding van een wedstrijd in de reserve vierde klasse op me wil nemen. Het is de B-categorie. Dat betekent over het algemeen marchanderen met de regels, zeiken op de scheids en een belabberde voorbereiding.

Als ik een klein halfuur voor de aftrap enthousiast mijn kleedkamerdeur openzwaai en naar buiten kijk, liggen de donkergroene kunstgrassprieten er dan ook nog onberoerd bij. Ik betreed het lege veld en begin traditiegetrouw met mijn rondje eromheen. Eén hoekvlag ontbreekt, de netten van beide doelen bevatten gaten ter grootte van een skippybal en drie pupillendoeltjes moeten nog over de omheining worden getild.

Ik kijk op mijn horloge. Twintig minuten voor de aftrap, nog steeds geen speler te bekennen. Sta ik eigenlijk wel op het goeie veld? Er ís maar één veld. Ik besluit nog maar een rondje te doen.

Tien minuten voor de geplande aftrap, na een overdreven lange warming-up die door werkelijk niemand is bewonderd, druppelen de spelers van beide teams binnen. Kletsend, bellend en zelfs rokend wandelen ze op hun dooie akkertje het kunstgras op. Ik vraag aan de aanvoerder van het thuisteam of hij ervoor kan zorgen dat de gebreken op en rond het veld worden verholpen.

„Hoe bedoel je?”

Ik noem de afwezige vlag, de kapotte netten en de doeltjes langs de lijnen.

„Dat is altijd zo”, zegt de aanvoerder, die dat een argument vindt om het voor vandaag ook zo te laten. Hij begint diep te zuchten als ik duidelijk maak dat we pas kunnen beginnen als aan mijn eis wordt voldaan.

„Lekker hoor”, hoor ik hem tegen een teamgenoot zeggen. „Hebben wij weer dit. Stuurt die KNVB eens een keer een echte, is het zo’n overdreven pikkie-precies.”

Een kwartier te laat is alles geregeld en staan er zowaar tweeëntwintig spelers binnen de lijnen. Of nee, twintig. Twee spelers van het uitteam staan nog, gebroederlijk naast elkaar, in de bosjes te pissen. Ik wacht tot ze uitgeplast zijn. Dat kan er ook nog wel bij.