In Europa worden grote coalities onontkoombaar

De Duitse grote coalitie past in een Europese trend: flankpartijen duwen centrum-links en centrum-rechts in elkaars armen.

Europa heeft er weer een grote coalitie bij. Het akkoord dat CDU/CSU en SPD deze week sloten over de vorming van een ‘Grosse Koalition’ is voor Duitsland uitzonderlijk: alleen 1966-1969 en in 2005-2009 regeerden de twee grote partijen samen. Maar in Europa is zo’n coalitie, van rechts én links, geen zeldzaamheid meer.

Zeven andere landen kennen links-rechts-kabinetten. In Oostenrijk praten christen-democraten en sociaal-democraten over voortzetting van de huidige grote coalitie. De Italiaanse premier Letta regeert met centrum-links en, na het afhaken van Berlusconi, met een deel van centrum-rechts. In Griekenland bleek vorig jaar een verbond van de aloude tegenstrevers, conservatieven en socialisten, de enige werkbare crisiscoalitie. In België maken socialisten, christen-democraten én liberalen deel uit van het kabinet-Di Rupo. En ook Ierland en Finland hebben links-rechts-coalities.

Voor de term ‘grote coalitie’ bestaat geen vaste definitie. In Duitstalige landen wordt ermee bedoeld: christen-democraten en sociaal-democraten werken samen, in plaats van met kleinere partijen een (centrum-) linkse of (centrum-) rechtse coalitie te vormen.

Je zou ook het VVD-PvdA-kabinet in Nederland een ‘grote coalitie’ kunnen noemen. De VVD heeft de christen-democraten verdrongen als belangrijkste kracht op centrum-rechts.

Met name in Oostenrijk en in de Benelux zijn combinaties van links en rechts geen onbekend verschijnsel. In het naoorlogse Oostenrijk is de ‘Grosse Koalition’ eerder regel dan uitzondering geweest. Nederland kende ‘rooms-rood’ en Paars. Elders liggen grote coalities minder voor de hand. De regeringssamenwerking tussen het linkse en het rechtse blok is voor Italië en Griekenland echt iets nieuws.

Dat de Duitsers nu, kort na de grote coalitie van 2005-2009, wéér zo’n regering krijgen, is geen toeval, zegt Stefan Marschall, hoogleraar politicologie aan de universiteit van Düsseldorf aan de telefoon. „De tijden zijn veranderd. We zullen meer rekening moeten gaan houden met grote coalities.”

Marschall ziet verschuivingen in de Duitse politiek die ook elders in Europa plaatsvinden, en die grote coalities vaker „onontkoombaar” zullen maken. „Het vinden van meerderheden binnen de traditionele kampen, van óf links óf rechts, wordt lastiger.”

Dat komt omdat het partijenlandschap in Europa „fragmentariseert”, zegt Marschall. „Kiezers veranderen sneller en vaker van partij.”

Dwalende kiezers

Die fragmentatie is al decennia bezig –en gaat door. Eerst brachten individualisering en nieuwe thema’s als het milieu partijen als D66 en de Duitse Groenen voort. Sinds de jaren ’90 boeken uiterst linkse en uiterst rechtse partijen succes. Rechts-populisten scoren in crisistijd met slogans tegen Europa, migratie en de elite.

Steeds vaker ontstaat na verkiezingen een patstelling. Een grote coalitie is de enige uitweg: over links gaat het niet en over rechts evenmin. In ieder land verloopt die ontwikkeling net een beetje anders.

In Duitsland stemde in september een recordaantal kiezers (15,7 procent) op kleine partijen die de kiesdrempel niet haalden. De CDU zocht na verkiezingen altijd instinctief de liberale FDP op. Maar die partij is weggevaagd, mede door de plotselinge concurrentie op rechts van het eurosceptische Alternative für Deutschland (AfD). De SPD –ooit goed voor meer dan 40 procent van de stemmen– kwam nu niet verder dan 25 procent. Om met de Groenen een linkse regering te vormen zou zij het post-communistische Die Linke nodig hebben, maar dat is voor de meeste SPD’ers een brug te ver.

Succesvolle flankpartijen duwen centrum-links en centrum-rechts zo in elkaars armen. Want regeren met uiterst rechts of uiterst links is lastig.

De eurosceptische Ware Finnen (tegenwoordig ‘de Finnen’) haalden in 2011 bijna 20 procent van de stemmen. De anti-Europese eisen van deze partij dwongen de Finse conservatieven tot een coalitie met de sociaal-democraten. In Nederland had verkiezingswinnaar VVD vorig jaar net een mislukt regeerexperiment met de PVV achter de rug; nu was politiek en getalsmatig alleen een kabinet met de PvdA een reële optie.

De Vlaams-nationalistische N-VA – de grootste partij van België – is een onmogelijke coalitiepartner omdat zij het land wil afbreken. in Italië bedrijft de komiek Beppe Grillo (20 procent van de stemmen) vooral anti-politiek. Het uiterst linkse Griekse Syriza wil niet meewerken aan de door de andere eurolanden geëiste bezuinigingen.

Door de kracht van flankpartijen zijn ‘grote coalities’ vaak helemaal niet zo groot. De Duitse coalitie, (504 van de 631 zetels in de Bondsdag) is een uitzondering.

Grote coalities zijn klein

In Oostenrijk haalden de twee ‘grote’ partijen bij de parlementsverkiezingen in september maar 51 procent van de stemmen– een historisch laagterecord. De FPÖ en twee andere rechts-populistische partijen scoorden bijna 30 procent. De Griekse regeringspartijen maar 154 van de 300 zetels. Syriza is meer dan twee maal zo groot als de regerende socialisten. In Nederland is Rutte-II in de senaat een minderheidskabinet. PVV en SP hebben daar samen 18 van de 75 zetels.

„Het populisme verwerft een vastere positie”, zegt Olaf Cramme, directeur van de progressieve denktank Policy Network in Londen. Populisten profiteren volgens Cramme overal in Europa van dezelfde drie ontwikkelingen: globalisering, Europese integratie en uit de pan gerezen overheidsschulden. „Allemaal beperken ze de ruimte voor politieke keuzes. Verkiezingen worden dan managementvraagstukken. Populisten reageren met echte emoties en geven wél een gevoel van richting”.

Zo ook in het Verenigd Koninkrijk. Daar regeert weliswaar geen ‘grote coalitie’ (in het Britse geval zou dat zijn: Conservatieven en Labour). Maar de Britten hebben wel de eerste naoorlogse coalitieregering, van Conservatieven en Liberaal-Democraten. Cramme: „we hebben inmiddels een vierpartijensysteem, met het anti-Europese UKIP naast de traditionele drie.”

Maar Cramme waarschuwt: „Grote coalities moeten de uitzondering op de regel zijn. We kunnen niet slaapwandelen naar een situatie waarbij de tegenstelling links-rechts wordt vervangen door de tegenstelling tussen zij die willen regeren en zij die de politiek willen ontwrichten.”

Politicoloog Marschall waarschuwt eveneens. Grote coalities kunnen populistische partijen verder versterken, zegt hij. „Het toch al aanwezige idee van kiezers, ‘het maakt niet uit op wie je stemt’, wordt in grote coalities nog eens versterkt. Kleinere partijen profiteren ervan, de partijen in het parlement én die daarbuiten.”

De Europese verkiezingen van mei volgend jaar zijn de eerste graadmeter voor de grote coalitie in Berlijn. Protestpartij AfD, die in september net niet de kiesdrempel van 5 procent haalde, haalt de lagere kiesdrempel voor het Europarlement van 3 procent heel waarschijnlijk wel. Marschall: „De Duitse bevolking is een stuk minder Europa-vriendelijk dan de traditionele politieke partijen.”