Hoofddeksels

Vroeger droegen bijna alle mannen een hoed om het hoofd bedekt te houden, maar de voornaamste reden was toch, geloof ik, om hem af te kunnen nemen. Als mijn vader op straat iemand tegenkwam die hij wel kende, maar niet goed genoeg om stil te houden en een praatje te maken, dan boog hij even het hoofd en nam beleefd zijn hoed af. De ander beantwoordde de groet op dezelfde manier.

Maar dikwijls was het voldoende om alleen maar even een grijpend gebaar naar de hoed te maken, dan was er aan de eisen van de beleefdheid voldaan.

Na de oorlog raakte de hoed een beetje uit de mode. Mijn vader ging een chocoladebruin alpinopetje dragen, hij was architect en ik geloof dat hij daarmee wilde uitdrukken dat hij het liefst informeel gekleed ging. Hij droeg wel een stropdas, maar altijd op een gekleurd overhemd. Alleen als hij naar de nieuwjaarsreceptie van de burgemeester moest, had hij een wit overhemd aan. En een hoed op weg daarheen. Ook de rector van mijn gymnasium had een donkerblauw alpinopetje.

De jeugd ging in die jaren blootshoofds, behalve sommige stoere jongens, die hadden, vlak na de bevrijding, zo’n wijnrode Canadese parachutistenbaret op. Dat heeft maar kort geduurd. Alleen de schrijver Apie Prins heeft dat ding tot aan zijn dood gedragen.

In de jaren zestig begonnen vrijwel alle jongeren honkbalpetjes te dragen, volwassen mannen hadden plotseling niets meer op hun hoofd.

Tot het moment dat Ronald Plasterk minister werd. Die verscheen opeens met een donkerbruine hoed in het openbaar. Is hij een zonderling of een trendsetter en wordt het weer mode om een hoed te dragen?