Het was lang niet altijd zo gezellig

Vanaf vandaag viert Nederland dat het 200 jaar een koninkrijk is Maar hé, dat wisten we helemaal niet Volgens Gijsbert van Es is er reden onwetend te blijven

Foto Ilvy Njiokiktjien

We zijn jarig. Ons land bestaat tweehonderd jaar. Het is feest. In de vorige drie zinnen, samen elf woorden, staat een hoop onzin bij elkaar.

Vandaag, en vooral morgen, en ook de komende twee jaar, krijgt het tweede eeuwfeest van het Koninkrijk der Nederlanden nogal wat aandacht. De koninklijke familie zal her en der aan- en optreden, de televisie doet er rechtstreeks verslag van, er verschijnen boeken, er zijn congressen, concerten.

Toch weet vrijwel niemand precies waarom we het rood-wit-blauw-oranje opeens zo uitbundig laten wapperen. Vraag een Amerikaans kind naar z’n VS-wortels en het zal spreken in trefwoorden als ‘4th of July, Declaration of Independence, Founding Fathers’. In Frankrijk zit het rijtje ‘14 Julliet, Révolution, Bastille’ stevig vastgespijkerd in het collectieve geheugen.

En wij? Zijn we echt jarig? Bestaan we tweehonderd jaar?

Wij hebben wel zoiets als een Vader des Vaderlands: Willem van Oranje, inderdaad, maar wanneer die leefde, en waarom z’n daden groot waren? – moeilijke vraag.

Is dat erg? Helemaal niet. Het is namelijk typisch Nederlands dat we dat niet weten. De feestelijke openingszitting voor een nieuw parlementair jaar noemen we Prinsjesdag. Waarom? Who cares. Ergens halverwege de negentiende eeuw heeft een Amsterdamse schoolmeester een boekje geschreven over een goedgeefse heilige uit de katholieke rite, waarna ‘5 december’ vleugels kreeg als nationale pakjesavond. Gezellig! Hoe die Sint, in een eeuwenlang door anti-paapse calvinisten geknecht land, opeens zoveel vrienden kreeg en hoe hij aan z’n roetzwarte pieterbazen komt? Tja, eh ...

Zelf onze feestdagen kiezen

Er is alle reden voor om onwetend te blijven. Het verschaft ons de ruimte zelf onze feestdagen te kiezen en te bepalen hoe wild we die maken.

Ons zogenaamd tweehonderdjarige bestaan, omdat in 1813 een Oranje-prins op het strand van Scheveningen arriveerde, heeft deze weken geen effect gehad op de vraag naar driekleurige feestversiering bij Blokker, of oranje tompoezen bij de Hema. Feestdagen die van bovenaf, door hoogwaardigheidsbekleders, worden opgelegd, delen nu eenmaal een moeizame geschiedenis met elkaar.

Een voorbeeld. Nog maar een jaar of 130 vieren wij de verjaardag van ons staatshoofd als iets dat lijkt op een nationale feestdag. (Sinds 1949 deden we dat op 30 april; volgend jaar voor het eerst enkele dagen eerder.) De oorsprong van deze viering had weinig met collectieve feestvreugde te maken. Het werd aanvankelijk breed gevoeld als een verplicht nummer, opgelegd door ‘Den Haag’. Zoiets als een Nederland-gevoel was toen zwak ontwikkeld, tot ver in de negentiende eeuw. Men voelde zich Amsterdammer, Fries, Brabander, of Zeeuw. Op de vraag of iemand zichzelf ook als ‘Nederlander’ zag, volgde doorgaans een even glazige blik als wanneer iemand vandaag de vraag voorgelegd krijgt of z’n hart sneller gaat kloppen als hij denkt aan Brussel en de Europese Unie.

‘Samen-staan-we-sterk’

De Nederlandse natie heeft van oudsher vrij weinig gehad dat de boel bij elkaar hield. Aan schoolkinderen is decennialang verteld dat de familie Van Oranje-Nassau steeds borg heeft gestaan voor een breed gedragen gevoel van ‘samen-staan-we-sterk’.

De werkelijkheid is warriger. Zeker, er zijn perioden geweest waarin ‘Oranje’ als lijm heeft gediend, zoals ‘onder koningin Wilhelmina’ tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar even zo goed waren er fasen waarin het vooral splijtstof was. ‘Oranjeklanten’ zijn ze ook wel genoemd – de mannen en vrouwen die zich op de verjaardag van het staatshoofd op straat durfden te wagen met een oranje frutsel op de kraag. Vaak liep het uit op knokken, van ‘Oranje’ tegen ‘die rooien’ (socialisten).

Een nationaal comité, dat nu het tweede eeuwfeest organiseert en vast z’n klassieken kent, heeft beseft dat het geen goed idee zou zijn de feestelijkheden helemaal aan tweehonderd jaar Oranje-geschiedenis op te hangen. Immers, niets menselijks is de Oranjes vreemd: nu niet, en toen niet. We zouden maar gaan oordelen ‘met de kennis’ en vooral met de normen en waarden van nu.

Willem I (koning tussen ca. 1813 en 1840) beschouwde zijn koninkrijk als een ‘wingewest’, waaruit je zoveel mogelijk inkomsten moest zien te persen. Zo zouden we dat nu samenvatten, maar – teruggeplaatst in zijn tijd – was hij een opvallend ondernemende vorst, zoals de Europese adelstand er wel meer telde in die dagen. Koning Willem II (1840-1849) was geen politicus, hij was een gedreven militair, die graag complotten smeedde (ook tegen zijn eigen vader) en er een obscuur (biseksueel) liefdesleven op na hield. Willem III (1849-1890) was een ongeleid projectiel, die vaker ruzie maakte, met wie dan ook, dan dat hij de nationale eenheid en voorspoed diende.

Het hoeft niet te verbazen dat de huidige koning niet de naam Willem IV heeft aangenomen: met name de nummers II en III kun je – in onze schandaalverslaafde tijd – maar beter niet in je kielzog hebben.

Tegelijk illustreert het wat er wringt bij dit koninkrijksfeestje. De organiserende notabelen hebben publiekelijk verklaard dat we niet zozeer de persoonlijke verdiensten van de Oranjes vieren als wel onze blijdschap mogen uiten over onze ‘vrijheid’, zoals vastgelegd in onze Grondwet en belichaamd door instituties als de Staten-Generaal.

Probleem is nu dat die Grondwet, aanvaard in 1814, eigenlijk niet zo’n bijzondere was. Als iets met terugwerkende kracht een felicitatie mag krijgen, dan is het de ‘Bataafse Staatsregeling’ van 1798, die het predicaat verdient van allereerste Grondwet van Nederland: toen is voor de allereerste keer de Nederlandse nationale eenheid uitgeroepen, met spelregels die – zeker voor die tijd – ongekend democratisch waren. De vorstelijke Grondwet van 1814 was, daarmee vergeleken, een stap terug.

Het is niets om ons vandaag voor te schamen; heel Europa was, nu precies tweehonderd jaar geleden, volop bezig met de restauratie van ‘anciens régimes’. Maar het gaat wat ver om een baken van vrijheid te ontsteken als we terugdenken aan het jaar 1814. Te meer omdat er in 1815 alweer een nieuwe Grondwet kwam, die in het en passant geannexeerde België helemaal niet als ‘bevrijdingsdag’ is bejubeld en die in 1830 alweer leidde tot een pijnlijke breuk met koning Willem I.

The rest is history

Inderdaad: the rest is history – en tamelijk ingewikkeld, vol dubbele bodems, bovendien. Daarom laten we morgenavond liever Albert Verlinde, Brigitte Kaandorp, Guus Meeuwis en andere BN’ers optreden in Joop van den Ende’s Circustheater in Scheveningen dan dat we de huidige Oranje-vorst, tevens academisch geschoold historicus, een toespraak laten houden waarin hij zijn visie op ‘twee eeuwen Koninkrijk der Nederlanden’ nader aan het volk verklaart.

Het is deze combinatie van abstracte hoogdravendheid (‘vrijheid en instituties vieren’) enerzijds en gezellig meedeinen in één grote TROS-familie anderzijds, tegen de achtergrond van een nauwelijks gekend gedeeld verleden, die het moeilijk zal maken bij dit feestje de handen op elkaar en de voetjes van de vloer te krijgen.

Gelukkig, het is niet de verwachting dat de openbare orde ernstig verstoord zal raken nu we de komende tijd stilstaan bij tweehonderd jaar koninkrijk. Ach, ze doen maar. En straks, eind april, als het staatshoofd jarig is, gaan we gewoon weer fijn veel drinken, vet eten en bric-à-brac aan elkaar verkopen. Oranje boven.