En dan nu: terug naar de eighties, met S&P

Welkom op de bijeenkomst van de AA, waarbij de nieuwe deelnemer zich wat schuchter voorstelt. „Ik ben Nederland, en ik ben afgewaardeerd.” Rest van de groep: „Hallo Nederland.”

Wie zitten er nog meer in de kring? De Verenigde Staten, Frankrijk. Allebei ook AA+. Maar Duitsland niet, met zijn onwrikbare triple A-status. Dat is wennen voor Nederland, dat zich sinds begin de jaren tachtig met succes heeft opgewerkt tot een betrouwbare Duitse satelliet. Op de financiële markten is reputatie álles. Gezien de prille reacties op die markt is er nog niet veel aan de hand. De spread, het renteverschil tussen Duitsland en Nederland, gaf vanmorgen geen krimp. Maar het is lichtzinnig dat voor lief te nemen.

Over Nederland is het verhaal inmiddels bekend: zware recessie, geklapte huizenzeepbel en probleembanken. Forse bezuinigingen, inzakkende koopkracht en teruglopende bestedingen. Oplopende staatsschuld, die door de lage nominale groei voorlopig blijft doorgroeien.

Dat kredietbeoordelaar Standard & Poor’s vanmorgen vroeg de Nederlandse status verlaagde naar AA+ is slechts een bevestiging van wat er gaande is. Kijk mee naar het verontrustende beeld van totale stagnatie.

Het Nederlandse bruto binnenlands product is (gecorrigeerd voor inflatie) nu terug op het niveau van het tweede kwartaal van 2006. Dat is in wezen dus zeven jaar stilstand. Kijken we even naar de componenten:

De overheidsinvesteringen zijn niet hoger dan in het vierde kwartaal van 2007. De consumptieve bestedingen van huishoudens zijn per saldo niet gegroeid sinds het derde kwartaal van 2003. Het is dat het wat schreeuwerig zou staan, maar hier had best een uitroepteken gepast. Ware het niet dat het volgende nog veel schokkender is: de investeringen van bedrijven en huishoudens staan op dit moment op het niveau van het eerste kwartaal van, hou je vast, 1997. Hallo huizenmarkt. Het enige dat ons een beetje uit de brand hielp was de netto-export.

Voor de huidige Nederlandse staatsschuldquote (88,5 procent van het bbp in 2014, volgens de OESO) moeten we inmiddels terug naar de donkere jaren tachtig. En daar ligt dan ook de werkelijke vergelijking met nu.

Nederland had in de jaren tachtig de grootst mogelijke moeite om zijn staatsschuld te financieren. Langlopende leningen waren lastig te verkopen aan beleggers, zodat de schuld relatief kortlopend gefinancierd moest worden. Dat was riskant: als elk jaar een groot deel van de schuld opnieuw gefinancierd moet worden, dan hebben renteschommelingen een grote en acute invloed op de overheidsfinanciën. Er werd dan ook angstvallig ‘gefrontload’: de minister zorgde dat hij al vroeg in het jaar zoveel mogelijk staatschuld uitgaf, want je wist maar nooit.

Waarom de Nederlandse reputatie toen zo slecht was? Onder meer door hoge begrotingstekorten, een zware recessie en een ingeklapte huizenmarkt. Kennen we. Maar bovenal was het de noodlottige beslissing van premier Lubbers om de Duitsers in 1982 slechts gedeeltelijk te volgen bij een opwaardering (revaluatie) van de Duitse mark ten opzichte van de andere Europese munten. Vaarwel satellietfunctie.

Het heeft tot begin jaren negentig geduurd voordat de positie van betrouwbaar Duits schaduwland weer was gerepareerd. Symbolisch? Meer dan dat. Geen idee hoeveel extra rente het Nederland in de tien tussenliggende jaren heeft gekost. Wat is de les? Wie weet wat er de komende jaren in Europa, en met de euro gebeurt. Maar bij Duitsland worden ingedeeld is een privilege dat niet licht mag worden verspeeld. Dat maakt de nieuwe AA+ status wat minder vrijblijvend, niet? Of, vrij naar Herman Kuiphof: zijn we er toch weer uitgetuind?

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.