Een rotjeugd baart genieën. Of niet?

Grote vernieuwers kregen al jong tegenslag, bleven vrijgezel, werden eenzame onbegrepenen en ontwikkelden zo een radicaal andere visie op hun vakterrein, aldus een emeritus-hoogleraar. Klopt dat?

Een outsider neemt later meer risico’s om te falen Foto olivier Middendorp

Hoopt u dat uw zoon later een groot ontdekker wordt, of een groot scheppend kunstenaar? Iemand als Einstein, of een Van Gogh? Dan kunt u meer doen dan hopen, dan kunt u aan zijn latere grootheid zelf alvast iets onmisbaars bijdragen. U kunt, ja u moet haast, uw zoon een rot jeugd bezorgen, vol tegenslag en er-niet-bij-horen. Stuur hem naar een strenge kostschool ergens ver weg, laat hem maar lekker aan zijn eenzame lot van onbegrepen buitenstaander over. Niet dat hij gegarandeerd tot de nieuwe Einstein of Van Gogh uitgroeit, dat kun je uiteraard niet voorspellen, maar zonder forse tegenslag wordt het zeker niks.

Dit is geen aardige, en ook niet helemaal billijke manier om een boek aan te kondigen dat, bij al zijn reële verdiensten, toch een beetje om zo’n openingsschot vraagt. De vernieuwers stelt een belangrijk maar in de wetenschap nogal verwaarloosd thema aan de orde — zijn er in de levens van de grote vernieuwers patronen aan te wijzen die ons enig inzicht geven hoe het komt dat juist Einstein, juist Van Gogh, juist vul-maar-in hebben kunnen uitgroeien tot die grote, radicaal nieuwe wegen inslaande vernieuwers waar de mensheid haar aangeboren drang tot echte kennis en tot ontroerende schoonheid het meest pregnant in heeft verwezenlijkt?

Inconsequent

De vernieuwers is ook een drammerig boek, waarin de auteur flitsen van strenge systematiek en verhelderend inzicht onvoorspelbaar afwisselt met nodeloze onnauwkeurigheden, met scherp maar wel weer vaak inconsequent doorredeneren, en vooral met slordig bij elkaar geraapte biografische gegevens. Een boek waar je je van tijd tot tijd flink aan ergert terwijl je toch om de zoveel bladzijden weer moet erkennen dat de schrijver iets heel bijzonders en waardevols te pakken heeft.

Het gemeenschappelijke patroon dat die schrijver, de emeritus hoogleraar in de antropologie Anton Blok, aan de lezer voorlegt komt hier op neer. Grote vernieuwers, vrijwel zonder uitzondering mannen, hebben veel tegenslag doorgemaakt en die weten te overwinnen. Dit lukt ze niet dankzij enig bijzonder talent, want volgens Blok bestaat talent helemaal niet, is het althans geen analytisch bruikbaar begrip. Nee, dat het de latere vernieuwer lukt, dankt hij aan zijn vermogen de kansen die zich onverwacht voordoen daadwerkelijk te grijpen, en aan zijn bereidheid zijn maatschappelijk outsiderschap te cultiveren en als uitvalsbasis te benutten voor een haast dwangmatig ondernomen inspanning om zijn outsiderideeën in even vakkundige als briljante prestaties om te zetten. Hij neemt het soort risico om te falen dat een gevestigd insider niet zo gauw zal aandurven. Hij blijft ongetrouwd of althans kinderloos, of laat de zorg voor de kinderen volledig aan zijn vrouw over, om zich ongestoord en in bezeten concentratie te kunnen wijden aan zijn eigengereide wetenschappelijke onderzoek of artistieke scheppingsdrang. Newton de eenzame kluizenaar te midden van de Cambridge dons. Darwin het ongeïnteresseerde gezinshoofd. Einstein de ondergeschikte beambte op een suf patentbureau. Van Gogh de erkende familiezonderling. Wij lezers herkennen het beeld van de eenzame onbegrepene die het vanuit de al dan niet zelfgekozen maatschappelijke marge tegen veel weerstand in tot de grote X of Y heeft weten te brengen.

Hoe zit het nu met de empirische onderbouwing van dit patroon? Dit maakt veel uit, want tegenslag is een subjectief begrip, en ook met de andere verklarende categorieën waar Blok mee werkt kun je heel wat kanten op. Was Christiaan Huygens, die als achtjarige zijn moeder verloor, nu een grote vernieuwer, netjes voorzien van de vereiste tegenslag? Dan schikt het goed dat hij bovendien nooit getrouwd is. Of komt de omstandigheid dat deze welgestelde patriciër bij uitstek een establishmentfiguur was, goed van pas om uit te leggen dat zijn iets jongere tijdgenoot Newton hem toch op een fundamenteel vlak voorbij heeft gestreefd? In Bloks boek kun je voor beide beweringen aanknopingspunten vinden, en in de wetenschappelijk verantwoorde verhandeling die deze studie wel degelijk pretendeert te zijn, mag zoiets toch eigenlijk niet voorkomen.

Alleen, het komt keer op keer voor. Wat doet Copernicus in Bloks collectie nieuwlichters? Die wordt allang niet meer gerekend tot de grote vernieuwers op het niveau van een Kepler of een Galilei. Waarom treffen we onder de grote wijsgerige vernieuwers wel Descartes en zelfs Schopenhauer aan maar niet Kant? Weliswaar zou het handig zijn uitgekomen dat ook die vrijgezel is gebleven, met daar bovenop nog de tegenslag van een uiterst armoedige jeugd. Maar zijn radicaal vernieuwende werk is Kant pas gaan schrijven — en daarom zal hij in Bloks rijtje wel ontbreken — toen hij al jaren lang een gevestigd hoogleraar was aan een universiteit waar hij met hart en ziel deel van uitmaakte. Helemaal trouwens ontbreekt elke toelichting op de keuzen die Blok heeft gemaakt voor nu juist deze en geen andere collectie vernieuwers. En dan heb ik het nog niet eens over onnauwkeurigheden als het gebrek aan controle op de authenticiteit van diverse geciteerde passages, of het verkeerd en zelfs begriploos aanhalen van allerlei boektitels. Ook valt de willekeur op waarmee Blok aan zijn gegevens is gekomen. Soms heeft hij gebruik gemaakt van de beste biografie die er is, soms van een inmiddels hopeloos achterhaalde — waarom niet tevoren even bij wat vaklui nagevraagd op welke grondstof voor zijn onderzoek hij zich het best zou kunnen beroepen?

Verliefd

Dit en nog veel meer wijst erop dat de vooringenomenheid het is gaan winnen van de open vraagstelling. Aan de klassieke fout die Blok scherp aanwijst bij enkele geleerden die eerder op ditzelfde terrein hebben gegrasduind, is hij zelf niet ontkomen — hij is onderweg op zijn eigen al te monolithische these verliefd geworden en wil en kan er niet meer van af.

Wij lezers kunnen dat gelukkig wel. Wij kunnen voortbouwen op de waardevolle aanzet die Blok wel degelijk heeft gegeven, en die gaan toetsen aan gevallen die in zijn kraam niet te pas kwamen en die hij daarom maar niet onder ogen heeft gezien.

Hoe zit het bijvoorbeeld met de wonderlijke omstandigheid dat in de muziekgeschiedenis de grote stijlvernieuwingen merendeels afkomstig zijn van componisten van de tweede rang, niet bijvoorbeeld van Johann Sebastian Bach maar eerder van zijn zoon Carl Philip Emanuel? Van oudsher hebben, terecht, grote vernieuwers de mensheid geïmponeerd en geïnspireerd, in al te veel wetenschaps- en ook kunsthistorisch onderzoek wordt aan het hoe en wat daarvan al te vlot voorbijgegaan, en dan is het erg prettig om nu een studie bij de hand te hebben waarin de plank wel geregeld mis wordt geslagen maar het onderwerp toch wel degelijk dwingend aan de orde wordt gesteld.