Een Predictor voor de geest

Mondigheid en het geregeld updaten van jargon zijn cruciaal om New York te overleven, zeker in de nieuwe roman van Thomas Pynchon. Wie niet vertrouwd is met lage cultuur blijft achter.

Sinds The Naked Gun (1988), de politiefilmparodie met Leslie Nielsen, is het oppassen geblazen wanneer ergens het woord ‘beaver’ valt, want het kan zo maar gewoon over een bever gaan. In de betreffende filmscène loopt Priscilla Presley in een jurkje een trap op, terwijl Nielsen haar van onderaan die trap bekijkt. ‘Nice beaver!’ zegt Nielsen tegen Presley, van wie we alleen nog de benen zien. ‘Thank you’, antwoordt Presley beheerst, ‘I just had it stuffed’. Waarna ze Nielsen een opgezette bever van zolder overhandigt.

Thomas Pynchon voert het cultureel citeren in zijn Bleeding Edge zo ver door dat hij van bovenstaande grap de volledige techniek overneemt. Zijn Maxine Turnow, een losbandige privé-detective, reist op zeker moment af naar een stripclub om een verdachte op te sporen. Naam van de club: Joie de Beavre. Het woordgrapje is daarmee wel gemaakt zou je denken, maar niet voor Pynchon. Hij vervolgt: ‘The place is located along a stretch of frontage road [....], its neon sign depicting a lewdly humanized beaver wearing a beret [...]’. Niets meer dan een onschuldig bevertje kortom.

Wie het opvalt dat Pynchon naar The Naked Gun knipoogt kan twee dingen ervaren: trots omdat je Pynchons hint hebt begrepen en je ‘ingevoerd’ voelen, of afkerige verbazing over het feit dat er blijkbaar zoiets triviaals als een grap uit The Naked Gun in je hoofd is blijven hangen. Het is vergelijkbaar met wat cabaretier Theo Maassen ooit (dat dit is blijven hangen!) in een voorstelling over zijn ontwikkeling vertelde: het ontbrak hem aan ook maar het eenvoudigste inzicht in de werking van de economie, maar hij kon moeiteloos de tekst uit een oude reclamespot van Domo-vla opdreunen. Je hebt je herinneringen niet voor het uitkiezen. Je kunt hooguit het aanmaken van onwenselijke herinneringen voorkomen door de tv uit te zetten als de reclame begint.

Pynchon zal er, getuige zijn doorlopend citeren van met name ‘lage’ cultuur, niet van overtuigd zijn dat de moderne mens sterk genoeg is om de spreekwoordelijke tv af en toe uit te zetten. Vanuit een bepaald vertrekpunt zou het niet begrijpen van Bleeding Edge zelfs als een compliment opgevat kunnen worden: het boek is namelijk zo goed als onbegrijpelijk voor die lezer die zijn hoofd in de loop van zijn leven niet liet volstouwen met populaire cultuur. Wanneer we er iemand als Adorno bij halen, met zijn aandacht voor de dominantie van de popcultuur, dan kan Bleeding Edge ook als een proef gelezen worden: hoe beter je het boek kunt volgen, hoe meer je blijkbaar onder invloed van de popcultuur hebt gestaan. Een soort Predictor voor de geest dus.

De roman is niet zozeer gecentreerd om een personage, maar om iets wat hier nogal dof en ongeïnspireerd zal overkomen: informatie, en de lichtsnelheid waarmee die tegenwoordig circuleert. Zeker, er is gewoon die Maxine Tarnow die we honderden pagina’s volgen, maar het is niet haar ‘beleving’ waar we iets van meekrijgen, maar slechts van haar mond. Die mond spuit informatie, die mond weert af, valt aan, is scherp als een scheermes, een mond dus waarmee ze zich staande houdt. Ze moet ook wel, want iedereen om haar heen (zelfs haar jonge kinderen) is al even gevat en getapt.

Dat mondigheid en het geregeld updaten van het jargon voor Turnow van cruciaal belang zijn om te kunnen leven in het New York van 2001 maakt Pynchon op een geestige manier duidelijk. Turnow, van middelbare leeftijd, verdiept zich in een duistere zaak die te maken heeft met het zich op dat moment vertakkende internet. Uit de gesprekken die ze aan het begin van haar speurtocht met informanten voert blijkt dat ze niet helemaal is ingevoerd in het nieuwste lingo. Ze praat oude taal. Of beter: vertrouwde woorden hebben een nieuwe invulling gekregen. ‘Ben je een volger?’ wil iemand weten. ‘Niet echt’, luidt Tarnows antwoord, ‘Op de middelbare school vonden ze zelfs dat ik leiderschapskwaliteiten had.’ Maar daar doelt die ander niet op: ‘Ik bedoelde een volger van mijn moeders website.’

Iemand die eigenlijk al een beetje bij een andere tijd hoort: het zou in een Europese roman een mooi gegeven zijn voor drama. Maar Pynchon heeft het land aan drama en geeft Tarnow de vechtlust waarmee ze zich in die nieuwe taal knokt en daardoor het spel, dat zich in de digitale wereld afspeelt, mee kan spelen. Werd de textuur vóór dat moment al goeddeels bepaald door watervlugge en aalgladde newspeak, nu is het hek helemaal van de dam. Wanneer Pynchon dat met een bepaalde ironie brengt is het nog te behappen, maar soms ontbreekt die ironie, en levert het taai en weinig onderhoudend proza op. Het grootste manco van Bleeding Edge is dan ook dat het te vaak een boek is dat in zichzelf mompelt en niet met de lezer communiceert. Hoezeer die ook bereid is om plaats te nemen in Pynchons linguïstische achtbaanrit.

Bleeding Edge leunt weliswaar meer op traditionele, en dus voor de lezer herkenbare, romanelementen dan veel andere Pynchons, maar dat wil niet zeggen dat het uit is op de effecten die daar doorgaans mee gegenereerd worden. Er is dus geen drama, maar ook nauwelijks een ter zake doende plot. Het onbestemde gevoel wordt echter vooral veroorzaakt doordat je je steeds weer afvraagt waar de handeling zich voltrekt, en waar je je als lezer dus bevindt. Die roep om plaatsbepaling behoort ongetwijfeld tot ‘meatspace’, zoals het in de roman heet, die oude wereld waarin je eerst nog je schoenen moest aantrekken als je je wilde verplaatsen. Die wereld staat in Bleeding Edge op het punt verlaten te worden door een wereld waarin alleen de verplaatsing van informatie er nog toe doet. Achterblijvers zullen met een mond vol oude woorden achtergelaten worden. Een uitgesproken moreel oordeel hierover is uit de roman niet te halen. Pynchon dient slechts op, en is benieuwd of u nog mensen herkent in die als processors handelende wezens.