De slavernij van vroeger en de spiegel van nu

De net onderscheiden roman The Good Lord Bird van de Amerikaanse schrijver James McBride draait om een felle blanke tegenstander van de slavernij en een als meisje verklede zwarte. Ze komen niet echt nader.

Het leek een verrassende winnaar van de Amerikaanse National Book Award (NBA). The Good Lord Bird van schrijver en saxofonist James McBride (1957) versloeg Jhumpa Lahiri en Thomas Pynchon, maar wie zich daar écht over verbaast, heeft het boek van McBride niet gelezen. Het is een klassieke, grootse, Amerikaanse roman van het soort waar NBA-jury’s dol op zijn: vol kritisch bekeken geschiedenis, nergens simplistisch, met oog voor nationale identiteit, met een plot waarin de machteloze een stem krijgt en met eendramatisch maar hoopvol einde.

Tussen boeken als World’s Fair van E.L. Doctorow, The Color Purple van Alice Walker en Peter Mathiesens Shadow Country past The Good Lord Bird – dat zich in de hoogtijdagen van de slavernij en aan de vooravond van de Burgeroorlog afspeelt – beter dan Pynchon of Lahiri. De verteller is een wijze oude man, Henry Shackleford, die terugkijkt op zijn spectaculaire leven. Al jong werd hij wees: zijn vader overleed bij een kroegruzie en zijn moeder stierf bij zijn geboorte. Hij werd meegenomen door John Brown, een militante voorstander van afschaffing van de slavernij, met grootse plannen plannen voor een opstand; plannen die tot zijn dood zouden leiden.

Daarmee verklap ik niks over de afloop, want in de inleiding wordt het verhaal gepresenteerd als een manuscript dat in 1966 in een kluis werd gevonden – op het hoogtepunt van de rassensegregatie dus. Een subtiele historische parallel waardoor je je gaat afvragen of McBride indirect ook iets over het heden wil zeggen waarin Amerika weliswaar een eerste, zwarte president heeft, maar racisme er schaamtelozer aanwezig is dan in de jaren vóór Obama.

Overwegingen als deze verdwijnen bij het lezen, want het verhaal is vol humor en geschreven in een vette stijl, waardoor het volkomen onvertaalbaar is. De jonge Shackleford wordt namelijk door John Brown aangezien voor een meisje, omdat zijn kleding uit grote lappen stof bestaat die Brown voor een jurk houdt. Dat misverstand laat Henry 17 jaar lang bestaan – omdat het zijn overlevingskans een stuk vergrootte en misschien ook wel omdat hij de blanke John Brown niet wil tegenspreken. In elk geval laat Henry zich Henrietta noemen, een situatie met zowel komisch als tragisch potentieel.

Om met dat eerste te beginnen: wanneer Henry in een bordeel terecht komt, wordt hij kritisch ondervraagd door Brown (die hij ‘Old Man’ noemt en die op zijn beurt de vaderrol op zich neemt). ‘Heb je je op een vlezige manier tot iemand verhouden, terwijl je niet getrouwd was?’vraagt Brown even bezorgd als boos. Henry/Henrietta antwoordt: ‘Ik ben nog steeds zo puur en zuiver als de dag dat ik als vrouw ter wereld kwam’.

Tragisch potentieel is er natuurlijk ook: waarom moet Henry zijn identiteit verloochenen tegenover zijn reddende engel, die het zo goed voorheeft met de ‘negro’s’? Het komische aspect van het verhaal ligt aan de oppervlakte, maar de onderhuidse tragiek is onontkoombaar: de blanke John Brown is militant in zijn pogingen slaven in opstand te laten komen, maar zo dwingend dat hij geen oog heeft voor de ware aard van de jonge, zwarte kompaan die hij als een soort talisman met zich meesjouwt.

Alle slaven die ze in het boek tegenkomen zien overigens onmiddellijk dat Henrietta geen meisje is, en dat lijkt McBride’s moraal van het verhaal: John Brown weet wat goed is voor de zwarten, maar doet niet zijn best zich in hen te verdiepen. Niet dat McBride de heldhaftigheid van deze historische figuur vanwege diens huidskleur wil relativeren; Frederick Douglas – een zwarte abolitionist – wordt nog veel genadelozer afgeschilderd: als geile, dronken brombeer. ‘Heiligschennis,’ schreef een verder enthousiaste recensent in de Los Angeles Times hierover.

Als Nederlandse lezer kijk je niet op van deze eigenwijze visie op de Amerikaanse geschiedenis. Maar een auteur die zo’n zwaar onderwerp met zoveel humor opdient, die niet aarzelt heilige huisjes omver te schoppen en die er en passant in slaagt het huidige Amerika een spiegel voor te houden – die verdient de National Book Award.