Alleen aan de haan vertelt de soldaat zijn oorlogsgeheimen

In Foto Jozef, de eerste roman van Miriam Guensberg uit 1989, draaide het om een oorlogslachtoffer: een Poolse vrouw die na de nodige omzwervingen in Nederland belandde. Zij overleefde als enige van een Joods gezin de kampen – en werd nooit meer de oude. Met haar dochter kon ze er niet over praten, hoe die ook haar best deed om moeder uit de tent te lokken. ‘Mijn moeder’, aldus de dochter, ‘hield haar plot verborgen’.

In haar nieuwe roman, Poolse tranen, zes boeken en 25 jaar later, gaat het opnieuw over een oorlogsslachtoffer met een verborgen plot. Geen moeder deze keer, maar een Joodse vader, Tanek, afkomstig uit het Poolse Nowy Targ – net als de vader van Guensberg. Hij durft al evenmin met zijn dochter te praten. Hij is bang om te ‘breken’ als hij haar te veel vertelt over vroeger. Maar hij brengt zijn leven ook weer niet zwijgend door. Met een enkeling praat hij wél over zijn vermoorde ouders, zijn heimwee naar Poolse eekhoorns, de mazurka of het Tatragebergte. Zo deelt hij al zijn geheimen met de haan die hij als huisdier houdt, en die natuurlijk weinig terugzegt. Een andere vertrouwensfiguur is Maro, een Georgische vrouw die wegvluchtte uit ‘de Staat en de bullebakken’, nadat haar ouders waren vermoord. Deze twee Slavische wezen begrijpen elkaar.

Als Tanek plotseling doodgaat, valt er voor dochter Dana heel wat uit te zoeken. Wat was er mis in het huwelijk van haar vader en haar vroeg gestorven moeder? Waarom had pa zo’n speciale band met de zoon van Maro? En waarom meldde hij zich ooit aan bij het Poolse leger?

Guensberg maakt veel werk van de verschillende personages en verhaallijnen. We maken kennis met een naïeve drugskoerier en een drugsdealer die over lijken gaat. We lezen over gastvrije ‘multiculti’s’ en ‘zonnebankchagrijnen’. We worden bijgepraat over opvoedkundige kwesties, buitenechtelijke relaties, bronzen beelden en regisseursambities. Poolse tranen is een levendige, veelstemmige en wodka-overgoten geschiedenis, die eindigt als een heuse krimi, met nachtelijke scènes op een begraafplaats.

Maar als ik had mogen kiezen, dan had ik gekozen voor minder personages en verwikkelingen en meer ruimte voor de interessantste kwestie in deze roman: de door de geschiedenis veronachtzaamde rol die de Polen in Europa speelden tijdens de Tweede Wereldoorlog, nadat hun eigen land bezet was geraakt. De soldaten die vrijwillig deelnamen aan de Eerste Poolse Pantserdivisie waren volop aanwezig bij de schermutselingen in Normandië in 1944 en hielpen mee Frankrijk, België en Nederland te bevrijden.

Lang niet iedereen weet dat de geallieerde troepen die ‘ons’ in 1945 kwamen bevrijden voor ongeveer een kwart uit Poolse pantsersoldaten bestonden. De Poolse strijders trof vervolgens een tragisch lot: zij konden na de bevrijding niet meer terug naar Polen, waar het communistische regime de soldaten zag als deserteurs.

Achterin het boek is een ontroerend nawoord opgenomen. Daarin geeft een arts, bij wijze van necrologie, een indruk van wat Doleck Guensberg, de vader van de schrijfster, tijdens de oorlog deed, als medisch officier. Hij lapte gewonde soldaten op en verrichtte spoedoperaties, soms in het open veld, en dus met gevaar voor eigen leven. Ik betrapte me op de gedachte dat ik hier wel meer, misschien wel een heel boek over had willen lezen.

Janet Luis