Wenen is mooi aangeharkt

Vanmorgen waren ze er weer. Vier mannen in brandschone fluorescerende overalls, sprongen van de even oranje pick-up van de gemeente. Ze nemen de hele ochtend om in het minuscule plantsoentje bij mij voor de deur – een brede middenberm – blad weg te harken.

De hele ochtend! Met zijn vieren! Elke week! Vergeleken met mijn vorige woonplaats Brussel, waar ik vorige week een rotsmak maakte over een koek van spekglad rottend blad, is Wenen de aangeharktheid zelve. Als je langsloopt zeggen de vier mannen beleefd „Grüssgott”. Alleen principiële socialisten zeggen „Gutentag”.

Dit is de prettigste momentopname uit de publieke dienstverlening. En die herhaalt zich elke week. Vanuit mijn kantoor op de eerste verdieping heb ik er geweldig zicht op. Genietend van dat uitzicht bedacht ik dat dit deels zou kunnen verklaren waarom de Oostenrijkse werkloosheid (4,7 procent) de laagste van de EU is: werkt iedereen voor de gemeente?

Vanmiddag, toen de plantsoenploeg klaar was, stopte er verderop een kleine truck met drie mannen. Ook oranje. Zij veegden de stoep aan de overkant. Donderdag is, meen ik, mijn kant van het straatje aan de beurt. Verderop zag ik oranje mannen op een pleintje de collectieve papierbakken controleren. Controleren!

Maar mijn favoriete moment is woensdagochtend. De avond ervoor zet ik mijn plastic container vol vuilniszakken van de hele week op de stoep. Woensdag rond half negen komt een oranje man aanlopen. Hij zet de container dichterbij de straat. Dan belt hij iemand. Altijd. Ik weet niet wie – de ‘centrale’, de vuilnisauto, zijn moeder? Vervolgens gaat hij naast de container staan. Soms staat hij daar vijf minuten, soms tien of meer. Dan komt de vuilnisauto (oranje). Als de container is geleegd, zet de man hem zo op de stoep dat wandelaars er niet over struikelen. Dan springt hij op de wagen en rijden ze weg.

Ze doen alleen mijn container. De andere containers pikken ze later op, volgens een ondoorgrondelijk schema. Volgens mij is Oostenrijk het fijnste land van Europa – althans, qua netheid. Zwitserland, waar ik ook heb gewoond, was ook brandschoon. Maar daar werkte ik in een souterrain en zag ik die oranje mannen niet.

Toevallig kreeg ik net een recent rapport onder ogen: dat het vertrouwen van burgers in hun overheid peilt. Wie schetst mijn verbazing? 10,7 procent van de Oostenrijkers is in overheidsdienst, veel minder dan het OECD-gemiddelde van 15,5 procent. De overheid geeft wel meer uit dan veel andere landen maar dat gaat vooral in gezondheidszorg en uitkeringen zitten.

Maar de klapper is de waardering daarvoor. Hoogste scoort Zwitserland: 80 procent heeft vertrouwen in de overheid. Het laagst staat Griekenland, met 12 procent. Ook in andere Europese landen die keihard hebben bezuinigd, is het vertrouwen gedaald. Het gemiddelde is 40 procent. Oostenrijk zit eronder, met 38 procent. In een land vol oranje mannen, waar negen op de tien burgers tevreden zijn over zorg en politie, waar inkomensongelijkheid beperkt is – hoe kunnen de mensen weinig vertrouwen in de overheid hebben? Ik kijk naar buiten. Harde wind. Het pad in het plantsoentje ligt weer vol blad. Ineens weet ik waar het door komt.