Schilderen met gesloten ogen

Maria Lassnig schildert en filmt over het ‘Körpergefühl’, het lichamelijk bewustzijn. De Oostenrijkse kunstares, nu 94, kreeg in Venetië een oeuvreprijs.

De kunstenaar is aan het werk in het atelier, met een schort om het middel gebonden, liggend op de grond naast het doek dat ze aan het beschilderen is. Ze schildert zichzelf, bijna levensgroot, in precies dezelfde liggende houding, maar dan naakt. Ze moet de arm met de verfkwast ver uitstrekken om de arm die ze aan het schilderen is te kunnen bereiken.

Deze zwart-witfoto van Maria Lassnig dateert uit 1982. De inmiddels 94-jarige Oostenrijkse kunstenaar schildert nog steeds, zoals blijkt op een tentoonstelling in Museum Dhondt Dhaenens in het Belgische Deurle, vlakbij Gent. De tentoonstelling is gewijd aan vroeg werk uit de jaren zestig en aan recente schilderijen. Deze zomer ontving Lassnig op de Biënnale van Venetië de Gouden Leeuw voor haar hele oeuvre.

Lassnigs hoofdthema’s zijn zelfportretten en schilderijen die een verbeelding zijn van het Körpergefühl, het lichamelijk bewustzijn, door Lassnig kortweg KG genoemd. Het klinkt helder, maar hoe schilder je eigenlijk een ‘lichamelijk bewustzijn’? Het is immers onzichtbaar, het is een innerlijke gewaarwording. Lassnig laat zien dat het lichaam paradoxaal is: het neemt de wereld rondom zichzelf én zichzelf waar. Ze zoekt in haar schilderijen naar de randen van het blikveld én naar het mentale beeld dat zij van zichzelf heeft. De KG-schilderijen hebben dan ook geen gezicht en geen ogen. De blik is naar binnen gericht. Lassnig schildert en tekent vaak met de ogen gesloten. In een interview zegt ze: „Mijn werk ontstaat uit het besef dat de enige echte werkelijkheid mijn gevoelens zijn, die zich uitdrukken binnen de grenzen van mijn lichaam. Het zijn fysiologische sensaties: een drukkend gevoel als ik zit of lig, gevoelens van spanning en ruimtelijke indrukken. Deze zaken zijn heel moeilijk te verbeelden.”

Lassnig verkent haar lichaam door introspectie, bijvoorbeeld door zittend of liggend op het doek haar contouren na te trekken. De vroege KG-schilderijen in heldere, lichte kleuren roepen associaties op met het abstract-expressionisme van Willem de Kooning. Tastende, expressieve verfstreken begrenzen lege plekken op het doek die inderdaad aan delen van lichamen doen denken: billen, borsten, een torso, fragmenten van ledematen. Maar anders dan de rauwe vrouwenschilderijen van De Kooning zijn dit tastende, meditatieve schilderijen.

Lassnigs film Iris (1971) gaat ook over de verkenning van een lichaam, maar dan met de camera en het lichaam is niet dat van Lassnig zelf. Langzaam glijdt de camera langs huidplooien, langs traag bewegende ledematen, een ademende buik. De beelden raken vervormd in een grote spiegel. Het zijn sensuele, intieme en toch vervreemdende beelden, ze tonen ons een levend lichaam. Het is niet een blik van buitenaf die het vrouwenlichaam tot ‘object’ maakt, maar eerder andersom: een ‘gevoel’ van de ervaring van die vrouw op dat moment dringt zich aan de kijker op.

Gewelddadige expressiviteit

De schilderkunst van veel Oostenrijkse kunstenaars, van Ferdinand Hodler tot Arnulf Rainer en Günther Brus, kenmerkt zich door een uitgesproken fysiek karakter en een radicale, emotionele, soms gewelddadige expressiviteit. Lassnigs werk sluit daar direct bij aan. De zoetige, onschuldige, ‘meisjesachtige’ kleuren die zij gebruikt, lijken in tegenspraak te zijn met de dramatische expressie en maken haar werk des te interessanter.

Lassnigs opvatting van een bewustzijn als iets zintuiglijks en lichamelijks geldt ook voor haar idee van wat ‘kijken’ is: dit is geen louter optische activiteit, die als het ware is losgezongen van het lichaam, maar een fysieke gebeurtenis. Het oog is lichaam, een gevoelig orgaan. Einen Kuss der ganzen Welt (Tha Tha Tha) (1990) toont een reusachtige, naar de hemel gerichte oogbol, gevuld met witte wolken en azuurblauwe hemel en drijvend op een soort smalle sokkel van bloed en zenuwen.

Malfluss = Lebensfluss luidt de titel van een schilderij uit 1996, dat een hoogtepunt is op de tentoonstelling. Het doet denken aan de neonfiguren van Bruce Nauman: terwijl bij Nauman de figuren door middel van neonlicht aan elkaar vastzitten en één ritmisch, bewegend geheel vormen, zijn ze bij Lassnig met elkaar verbonden door de verfstreek. In één lange, vloeiende beweging van kleurige lijnen worden ze samengebonden.

‘How to connect with other people?’ vraagt Lassnig in een gefilmd zelfportret. In haar geval doe je dat door middel van verf: de stroom van het schilderen (Malfluss) is identiek aan de stroom van het leven (Lebensfluss).

Vanaf de jaren tachtig is Lassnigs werk figuratiever. Het wantrouwen jegens de zichtbare werkelijkheid is gebleven. In de meest recente schilderijen trekt Lassnig zich terug in een wereld van droom en herinnering. In Grossvater (2011) dreigt een roze, naakte man van een witte bergtop af te glijden, zich vastklampend aan een kleinere figuur. Die Gefrässigen (2011) zijn half-dierlijke, half-menselijke, monstrueuze wezens, volgevreten klompen vlees.

De schilderijen van Lassnig zijn een fascinerende mengeling van aan de ene kant walging en levensangst en aan de andere kant lichtheid en levenslust. Het is een volstrekt eigenzinnig en ontroerend oeuvre.

Maria Lassnig: schilderijen. T/m 12 jan, Museum Dhondt-Dhaenens, Museumlaan 14, Deurle, België. Inl: museumdd.be