Redden wat er te redden valt

Het kabinet bezuinigt – ook op banen voor mensen die anders moeilijk aan werk komen. De maatregelen gaan begin volgende week naar de Kamer. Friese gemeenten lopen er op vooruit.

In de sociale werkplaats Empatec in Sneek worden hockeysticks en fietsbellen in elkaar gezet, kussens genaaid, hout voor damwanden op maat gezaagd. Er is ook een zaal waar verstandelijk gehandicapten schone washandjes en handdoeken op stapels leggen. Schuin tegenover hen staan mensen die je – tot begin dit jaar – nooit in het bedrijf zag: bijstandsgerechtigden. Ze pakken vogelvoer en vogelhuisjes in. „Ik ben er wel om uitgelachen”, zegt Athur Jansen (23), die net is opgehouden met een hbo-opleiding. „Omdat ik hier moet werken. Maar ik zit in de kantine elke dag tussen lieve mensen.”

Samen met twaalf andere gemeentes in het westen van Friesland gebruikt de gemeente Súdwest-Fryslân de sociale werkplaats voor het project ‘Pastiel’: iedereen die een bijstandsuitkering aanvraagt, moet er een paar weken productiewerk doen en krijgt, als het goed gaat, meteen ook hulp bij het zoeken naar ander werk of een stage. Athur kan binnenkort een opleiding volgen voor matroos.

Directeur Henk van der Zwaag en Sjoerd Tolsma, PvdA-wethouder van Sociale Zaken in Sneek, hopen dat hun regio ermee voorop loopt: de nieuwe ‘participatiewet’, waar het kabinet begin volgende week mee komt, is bedoeld voor iedereen die niet zelf aan werk kan komen of niet productief genoeg is voor een normaal salaris. Daar vallen niet alleen de mensen onder die passen in een sociale werkplaats, maar ook jongeren met een handicap en bijstandsgerechtigden. De verschillende wetten en regels voor die groepen worden grotendeels vervangen door de nieuwe wet.

Het betekent bijvoorbeeld dat alle gehandicapte jongeren die nu een Wajonguitkering krijgen, zo’n 240.000 mensen, herkeurd worden. Alleen wie helemaal niet kan werken, ook later niet, houdt een uitkering. De anderen moeten op zoek naar werk en komen in de bijstand. Bij de sociale werkplaatsen (met zo’n 100.000 werknemers) worden vanaf 2015 geen nieuwe mensen meer aangenomen.

De gemeentes krijgen ook veel minder geld voor de salarissen in die bedrijven: de subsidie per persoon per jaar is al gedaald van 27.000 euro naar 25.700 en gaat verder omlaag naar 22.700 euro. Door de nieuwe wet wil het kabinet structureel, als alle maatregelen worden uitgevoerd, zo’n 1,6 miljard euro bezuinigen.

Sociale werkplaatsen

In Sneek doet Empatec, samen met de gemeente Súdwest-Fryslân, wat veel andere sociale werkplaatsen nu ook doen: ze breiden hun netwerk uit van fabrieken die werk uitbesteden, ze detacheren gehandicapten op de werkvloer bij ondernemers, en door het reïntegratieproject Pastiel zijn de contacten van wethouder Tolsma en directeur Van der Zwaag met bedrijven in de regio hechter dan ooit. Hun boodschap: als het iemand lukt om mensen met een fysiek, mentaal of sociaal probleem aan het werk te helpen, zijn wij het.

„We proberen te redden wat er te redden valt”, zegt Tolsma. Want van de negentig sociale werkplaatsen in Nederland, officieel ‘sw bedrijven’, is er niet één die zo’n bezuiniging kan dragen – ook Empatec niet, dat tot nu toe winst maakt. De subsidies gaan bij veel bedrijven helemaal op aan de salarissen, die vastliggen in cao’s: soms 120 of 140 procent van het wettelijk minimum loon.

De sociale werkplaatsen moeten efficiënter werken en worden gedwongen tot strategische keuzes. Met inpakwerk verdienen ze bijvoorbeeld veel minder dan met het onderhoud van parken of schoonmaakwerk. Maar lang niet alle werknemers kunnen schoffelen of ramen lappen.

Aan de tafel met vogelvoer in Sneek staat ook Liesbeth Nijlaan (46). Ze heeft een bijstandsuitkering en werkt al een paar weken bij Empatec. Daar is ze blij mee, thuis verveelt ze zich. Ze is gescheiden en woont in Sneek in het huis van haar zoon Geert (23), die aan dezelfde tafel vogelvoer inpakt.

Liesbeth Nijlaan werkte jaren geleden in een sociale werkplaats, net als haar vader. Ze deed de ‘groenvoorziening’: ze wiedde onkruid. Maar ze kreeg een nieuwe vriend en bleef thuis: „Hij wilde niet dat ik samen met mannen werkte.” Ze werkte, zegt ze, ook al eens in een bloempottenfabriek. „Maar daar moest ik altijd maar opschieten, opschieten. Daar word ik zenuwachtig van.” Ze hoopt dat ze weer in dienst kan komen van de sociale werkplaats.

Maar door de nieuwe participatiewet is voor Liesbeth Nijlaan die kans definitief voorbij. De bedoeling is dat er 30.000 ‘beschutte werkplekken’ beschikbaar blijven voor gehandicapten die niet in een ander bedrijf terecht kunnen. Liesbeth Nijlaan komt ook zo goed als zeker niet in aanmerking voor een van de 100.000 werkplekken die het bedrijfsleven wil vrijmaken voor mensen met een handicap. De bedrijven betalen dan alleen de zogenoemde ‘loonwaarde’ van een werknemer: een ingeschat percentage van de productiviteit. De gemeentes vullen het salaris aan tot het wettelijk minimumloon.

Bij sociale diensten is er veel zorg over mensen zoals Liesbeth Nijlaan: vooral in gebieden met grote sociale werkplaatsen, zoals in Limburg of Groningen, blijft er bij de gemeentes nauwelijks geld over voor werklozen die geen duidelijke handicap hebben, maar ook niet goed kunnen functioneren in een gewoon bedrijf.

Wie wordt het hardst geraakt?

In de Tweede Kamer zal het er de komende tijd steeds over gaan: wie wordt het hardst geraakt door de nieuwe wet? Voor wie – of voor welke regio – moet er bescherming komen?

Vorige week bleek al dat er in de wet een overgangsregeling staat voor gehandicapte jongeren met een Wajonguitkering die deels kunnen werken: ze komen in de bijstand, maar raken die niet meteen kwijt als ze bij hun ouders wonen of een partner hebben met een inkomen. Als die jongeren nu een paar uur per week werken, komen ze niet in de bijstand zoals eerst de bedoeling was: ze houden nog jaren een aanvullende Wajonguitkering.

Kamerleden hadden staatssecretaris Jetta Klijnsma (Sociale Zaken, PvdA) al gevraagd om de overgang voor Wajong’ers te ‘verzachten’.

PvdA, VVD, CDA en ChristenUnie willen ook dat ze iets bedenkt voor gebieden als Oost-Groningen, Twente en Zuid-Limburg, waar de sociale werkplaatsen soms de grootste werkgevers zijn sinds de sluiting van de strokartonfabrieken, textielbedrijven en de mijnen. Het is moeilijk voor te stellen hoe gemeentes die bedrijven financieel overeind kunnen houden.

Het is ook lang niet zeker dat alle gemeentes dat wel willen – omdat het veel geld kost of omdat ze de sociale werkplaatsen te ingewikkeld vinden. Ze moeten vaak samenwerken met andere gemeentebesturen om zo’n bedrijf in de sociale werkvoorziening te beheren en zijn het dan lang niet altijd met elkaar eens.

Wethouder Sjoerd Tolsma denkt dat er de komende jaren sociale werkplaatsen failliet zullen gaan. „Niemand is gebaat bij kille saneringen, ook de politiek niet.” Beelden van gehandicapten bij een dichte bedrijfspoort kunnen hard aankomen bij kiezers. Maar of er dan ook extra geld moet gaan naar sommige regio’s? Directeur Henk van der Zwaag van Empatec in Sneek aarzelt. „Als het één zak met geld is, blijft er minder over voor de anderen.”

Maar hij wil niet klagen. Van der Zwaag ziet mooie overlevingskansen voor zijn bedrijf: als spin in het web van Friese ondernemers en mensen die, om wat voor reden dan ook, moeite hebben om aan werk te komen.

Dan moet er wel een eind komen aan het „hokjesdenken” in Den Haag, zegt hij, en het moet niet de bedoeling zijn dat de sw-bedrijven er vooral zijn voor de 30.000 ‘beschutte werkplekken’ die de regering belooft. „Dan worden er hier alleen nog maar stickertjes geplakt of stickertjes weggehaald.”