Politie onterecht beschuldigd van racisme

Politiecontact met jongeren hangt vooral samen met buurt en gedrag, niet met etniciteit, ontdekten Sawitri Saharso en Jörgen Svensson.

Amnesty International stelde onlangs dat de Nederlandse politie etnisch profileert. Bij het zomaar staande houden en controleren van burgers die niets hebben misdaan zou de politie discrimineren. Het is goed dat het rapport de aandacht vestigt op een fundamenteel recht in onze rechtsstaat: het recht op gelijke behandeling. Het mag niet zo zijn dat agenten proactieve bevoegdheden als fouilleren en ID-controle misbruiken om minderheden te discrimineren. Maar, is de politie als instituut racistisch en moeten deze bevoegdheden worden ingeperkt? Nee.

In de afgelopen jaren hebben we samen met studenten onderzoek verricht naar ongelijke behandeling bij het gebruik van proactieve bevoegdheden door de politie. Ons onderzoek bestond onder meer uit een kwantitatieve studie naar de ervaringen van jongeren van verschillende afkomst met de politie. Ook wij constateerden dat migrantenjongeren vaker contact hebben met de politie en zich daarbij soms minder goed behandeld voelen.

Wij gingen in ons onderzoek nog een stap verder. We vroegen ons af waarom migrantenjongeren vaker contact hebben met de politie dan hun autochtone leeftijdsgenoten, en waarom die jongeren negatiever over die contacten oordelen. We enqueteerden jongeren op scholen, op straat en in jongerencentra. We vroegen naar hun contacten met de politie. Daarnaast stelden we vragen over hun eigen gedragingen, die van invloed konden zijn op hun politiecontacten. Hoeveel tijd brachten de jongeren door op straat, waardoor ze vaker politie konden tegenkomen? In hoeverre maakten de jongeren zich naar eigen zeggen schuldig aan norm-overschrijdend gedrag, waardoor de politie meer reden had om ze aan te pakken? Trokken ze regelmatig op in grotere overlastgevende vriendengroepen? We onderzochten vervolgens in hoeverre de ervaringen met de politie samenhingen met etnische achtergrond en uiterlijk, en in hoeverre die ervaringen samenhingen met de eigen gedragingen.

Wanneer we de antwoorden van jongeren over hun politiecontacten corrigeren voor de door de jongeren zelf gerapporteerde gedragingen, verdwijnt het beeld dat agenten systematisch discrimineren. De politiecontacten blijken vooral samen te hangen met geslacht (jongens hebben meer en meer negatieve ervaringen met de politie), met de buurten waarin zij op straat zijn, met de tijd die ze er doorbrengen en bovenal met normoverschrijdend gedrag van de jongeren zelf en hun vrienden. Wij vonden geen bewijs voor stelselmatige discriminatie. Op grond van onze studies denken wij ook positiever over proactieve bevoegdheden. Er zijn wel risico’s: de vergrote vrijheid om naar eigen inzicht te handelen kan misbruikt worden. Maar proactieve contacten kunnen ook helpen om discriminatie te voorkomen. Het contact van buurt-agenten met jongeren bestaat niet alleen uit controleren en fouilleren. Vaak genoeg maken agenten ook zomaar een praatje. Onderdeel van hun taak is namelijk te weten wat er leeft in de buurt. Juist door hun regelmatige contacten met normale jongeren van Turkse, Marokkaanse, Antilliaanse en andere komaf leren agenten die jongeren kennen en voorbij stereotypen te kijken.

Hoe komt het nu dat wij tot zulke andere conclusies komen dan Amnesty? Een verklaring is dat Amnesty zich vooral baseert op kwalitatieve studies aangezien kwantitatieve studies nagenoeg ontbreken. Daarnaast is het beeld dat Amnesty schetst vooral gebaseerd op onderzoek in de twee grootste steden: Amsterdam en Rotterdam. Maar op grond van ons onderzoek zeggen wij vooralsnog: er is onvoldoende grond om de hele politie van discriminatie te beschuldigen.