Participerende burger weggewimpeld

De overheid houdt van participerende burgers, maar vooral als zij er zélf om vraagt. Burgers die zelf initiatieven nemen, stuiten op weerstand.

Gemeenten reageren vaak afwijzend op maatschappelijke initiatieven van burgers. Dat schrijft een denktank van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in een rapport dat zij morgen presenteert. Wijkbewoners met plannen om hun buurt vooruit te helpen, stuiten in het raadhuis op een „regenteske reflex”, aldus voorzitter van de denktank Rob van Gijzel, tevens burgemeester van Eindhoven (PvdA). „Dit past niet in ons beleid, zegt een ambtenaar dan over zo’n burgerplan. Of: is dit plan wel voor iedereen toegankelijk?”

Deze houding van gemeenten staat in schril contrast met de officiële roep van de overheid om een grotere maatschappelijke betrokkenheid van burgers, verbonden in een ‘participatiemaatschappij’. De liefde van gemeenten voor participerende burgers is voorwaardelijk, blijkt uit het rapport: de overheid houdt vooral van participatie als het burgers zelf heeft gevraagd om te participeren.

Van Gijzel in zijn voorwoord: „Wij als overheid zeggen wel ‘de burger centraal’, maar dan bedoelen we nog al te vaak dat wij de burger centraal willen stellen, dat wij de burger de kans moeten geven aan zet te zijn. Als de burger dat zelf, ongevraagd, gewoon doet, hebben we daar vaak nog geen goede reactie op.”

De VNG-denktank – ook met hoogleraar bestuurskunde Gabriël van den Brink en Rotterdambestuurder Marco Pastors – sprak met „honderden” ambtenaren, raadsleden en wethouders. En met de bedenkers van burgerinitiatieven, zoals een lokale variant van marktplaats.nl, waar bewoners hulp kunnen aanbieden of vragen.

Dit soort initiatieven is sterk in opkomst, concludeert de denktank. Maar gemeenten zijn onvoldoende doordrongen van deze opmars van burgers. Van Gijzel: „De lokale overheid ziet nog steeds de gemeenteraad als hét orgaan dat bepaalt wat maatschappelijk relevant is. Zolang een stempel van goedkeuring ontbreekt, telt een burgerinitiatief niet mee.” Gemeenten zitten ook vast in „gelijkheidsdenken”, zegt Van Gijzel. Het uitsluiten van groepen is taboe. „Gemeenten vragen zich af: is dit wijkinitiatief wel voor álle burgers toegankelijk? Zo problematiseer je het initiatief van onderop.”

Dat ondervond Jeroen Fikkers (36), die twee jaar geleden in de voormalige Vogelaarwijk Kruiskamp in Amersfoort een ‘wijkbedrijf’ wilde beginnen: ondernemers die zich richten op de eigen wijk, in een pand dat als ‘ontmoetingsplek’ moest fungeren nu de gesubsidieerde wijkcentra wegvielen.

Maar gemeente Amersfoort stond niet meteen te springen toen Fikkers vroeg om een pand. „De wethouder wilde irreëel veel geld voor het leegstaande gebouw dat we toen op het oog hadden”, zegt hij. „Het was onmogelijk voor de gemeente om op een andere manier naar vastgoed te kijken dan als inkomstenbron. Dat zo’n pand ook een maatschappelijke nut kon hebben, maakte geen indruk.” De Amersfoortse wethouder Rob van Muilekom (PvdA), die in februari aantrad, spreekt van een „veranderende rol” voor het stadsbestuur, dat „meer ruimte” moet bieden aan „wijkinitiatieven”. Die nieuwe rol van de gemeente is nog „in ontwikkeling”, zegt hij. De samenwerking tussen Fikkers en Amersfoort is verbeterd: sinds vorige week betrekt zijn wijkbedrijf een voormalig schoolpand, in samenspraak met de gemeente.