Marcel Ruijters: ‘Mijn nonnetjes neem ik heel serieus’

Middeleeuwse nonnen spelen de hoofdrol in de strips van Marcel Ruijters. „Mijn nonnetjes zijn aseksueel, maar wel gracieus. In dit universum komt geen seks voor.” Ook zijn stijl is geïnspireerd door de Middeleeuwen.

Illustraties uit het hoofdstuk ‘St. Sceptica’ van ‘Alle Heiligen’ van Marcel Ruijters

Stijl is alles bij tekenaar Marcel Ruijters. Zijn fascinerende strips doen denken aan houtsneden en gravures, vanwege de zelfbewuste, robuuste lijnvoering, de sierlijke kaders en de middeleeuwse afbeeldingen met nonnen in de hoofdrol. „Mijn nonnetjes”, noemt de Rotterdamse tekenaar de uiterlijk eendere vrouwen: lange handen en voeten, neuzen die overlopen in het voorhoofd en gekleed in zwart habijt.

In zijn deze maand verschenen stripboek Alle heiligen spelen ze voor de derde keer een hoofdrol in zijn werk. In 2005 publiceerde hij Sine qua non en in 2008 Inferno, naar het werk van Dante. Alle heiligen bevat twaalf even bondige als koddige levenskronieken van middeleeuwse nonnen en een verhaal over de pestepidemie die eind veertiende eeuw woedde.

Voor stijl en stof vindt Ruijters inspiratie in middeleeuwse kunst. „Interessant aan die tijd is dat de individualiteit van afgebeelde personen niet telt. Je ziet allemaal dezelfde koppen met slaperige ogen. Mensen herken je aan hun attributen. Dat geeft een merkwaardig effect dat ik wilde doen herleven.”

Sterk beïnvloed werd Ruijters ook door de Nederlandse tekenaar Paul Bodoni uit de jaren tachtig. „Zijn esthetiek in de lijnvoering en zijn grafische vrijheid hebben veel tekenaars van mijn generatie geraakt. Hij zat dichter tegen beeldende kunst aan dan tegen de doorsnee strip.”

Zijn keuze voor nonnen was geen kwestie van affiniteit met religie. „Ik ben geboren en getogen in Limburg, waar zelfs de lucht die je ademt katholiek is, maar mijn familie vormde een uitzondering.”

De verhalen achter de heiligverklaringen vond Ruijters op katholieke sites waar heiligen zijn gecategoriseerd, alfabetisch en naar onderwerp. „Voor mij zijn dat absurdistische verhalen, die ik lees met een antropologische blik. Sommigen hebben veel geleden om de status van heilige te bereiken, anderen hebben eigenlijk weinig gepresteerd. Die lagen alleen jaren in bed met een kwaal zonder te zeuren.”

In Alle heiligen besteedt Ruijters zes bladzijden aan Lydwine van Schiedam, de bekendste Nederlandse heilige, die verlamd raakt bij een schaatsongeluk. „Met dat verhaal ben ik flink aan de haal gegaan.” Bij Ruijters geneest Lydwine, gaat leven als kluizenares, wordt belaagd door een wolf en raakt haar stem kwijt, waarna ze een nieuwe orde sticht.

Zo gaat het steeds: de nonnen worden tot het uiterste beproefd. Ze worden opgegeten, verliezen ledematen, komen op de brandstapel, worden opengesneden en uiteengetrokken. En toch verliest het boek geen moment zijn vrolijke inslag.

Satire is de sleutel tot zijn aanpak, schreef hij zelf in de inleiding van Inferno. Ruijters: „Hoewel er vreselijke dingen met mijn nonnetjes gebeuren, sta ik wel aan hun kant. Ik neem ze serieus. Dat gevoel komt hoop ik over. Het is sympathiek dat ze altijd proberen goed te doen.”

Een andere bouwsteen voor zijn boek is wat Pierro Camporesi schreef over de vreemde verhouding van de middeleeuwse mens met zijn lichaam, zegt hij. In Alle heiligen reageren de nonnen op de pest met zelfkastijding. Ruijters: „Het toont de haat tegen die zak met ziektekiemen. Je moet het lichaam tuchtigen en straffen.”

En dan ja, die bijzondere stijl. „Ik houd van houtsneden. Ze ogen stug en statisch, maar ze zijn met veel aandacht voor de vorm ontworpen.” Als techniek is de houtsnede bewerkelijk en tijdrovend, maar wat Ruijters doet, komt in de buurt. Hij legt het uit: „Als compromis werkte ik met scraperboard, waarbij je op een kartonnen plaat wegkrast wat wit moet worden. Dat kun je corrigeren met inkt. Maar die techniek is ook traag en weerbarstig en je composities worden log. Toen ontdekte ik dat ik hetzelfde effect kon krijgen op gesatineerd papier. De inkt van mijn markers blijft er bovenop liggen. Die inkt kun je weer wegkrassen om het effect van een gravure te suggereren. En je kunt lijnen bijpunten en corrigeren.”

Inmiddels werkt hij weer met penseel, waar hij zich vanaf zijn tiende in bekwaamde. Ruijters werkt aan een stripbiografie van Jheronimus Bosch, die in het herdenkingsjaar 2016 moet uitkomen. „Dat wordt voor mij een ambitieus werk.” De biografie vergt een serieuze omgang met de bronnen. In Alle heiligen heeft zijn fantasie nog vrij spel. Behalve de nonnen en een sporadische vrouwelijke marskramer leven er geen normale mensen in zijn wereld. De andere figuren zijn apen, beestachtige wildemannen en blemmyae – schepsels zonder romp. Of zonder hoofd, zoals Ruijters zegt, omdat hun romp het hoofd is. Het is maar hoe je kijkt. „De blemmyae zijn fantasiewezens, ontleend aan het werk van Plinius, de Romeinse schrijver.”

Onwetendheid leidde in middeleeuwse manuscripten vaak tot fraaie tekeningen van fantasiebeesten, zegt Ruijters. „Men had nog nooit een olifant gezien, maar beschikte wel over een beschrijving. Een olifant tekende men als een paard met een slurf en tanden de verkeerde kant op. Dat is aandoenlijk en bevrijdend. Op die manier wilde ik ook te werk gaan.”

Heel bewust koos hij voor vrouwelijke hoofdpersonages. „Er is geen gebrek aan vrouwelijke stripfiguren, maar er wordt veel nadruk op hun seksualiteit gelegd. Dat kun je leuk vinden, maar vaak is het clichématig. Mijn nonnetjes zijn aseksueel, maar wel gracieus. In dit universum komt geen seks voor. Het is de zelfcensuur van de Middeleeuwen, die ik overdrijf. Dan wordt het vanzelf weer grappig.”

Marcel Ruijters: ‘Alle heiligen’. Uitg. Sherpa, 112 pag., € 24,95.