IDFA-volk

Je mag ze natuurlijk niet allemaal over een kam scheren, maar de vaste bezoekers van het IDFA, het jaarlijkse internationale documentairefestival te Amsterdam, zijn geïnteresseerder in het wereldgebeuren dan mensen die normaal de bioscopen bezoeken. Hoe ze erbij liggen in de filmzalen met hun warrige kapsels en rare mutsjes Minder verzorgd ook. Ik kijk graag

Je mag ze natuurlijk niet allemaal over een kam scheren, maar de vaste bezoekers van het IDFA, het jaarlijkse internationale documentairefestival te Amsterdam, zijn geïnteresseerder in het wereldgebeuren dan mensen die normaal de bioscopen bezoeken.

Hoe ze erbij liggen in de filmzalen met hun warrige kapsels en rare mutsjes

Minder verzorgd ook.

Ik kijk graag naar ze.

Hoe ze erbij liggen in de filmzalen met hun warrige kapsels, zwarte brillen en rare mutsjes op het hoofd. De schoenen uit, etend uit zakken meegenomen voedsel, soms vechtend tegen de slaap, want de gemiddelde documentaire duurt net iets te lang en dat tikt aan als je kaartjes voor twintig voorstellingen hebt.

Wat ze ook anders maakt, is de betrokkenheid.

Gisteren bij de film Final Destination in bioscoop De Munt viel het me weer op.

In de zaal werd hardop meegeleefd met Povilas Marcinkus, een zestigjarige heroïneverslaafde uit Litouwen met maar één been die we gedurende 65 minuten zagen bedelen, verzwakken, vermageren en definitief aftakelen.

Hard gelach bij een shot van een poesje dat met zijn pootje tegen een televisiescherm tikte. Afkeurende geluiden toen de hoofdrolspeler op bed een Zweeds pornoblad doorbladerde en daarbij zijn mening gaf over de combinatie van negers en blonde vrouwen. Afschuw – „Ooooh” – toen hij zijn wonden, opgelopen na een gevecht met een politieagent, aan de camera toonde.

De vrouw naast me, die tot mijn grote ergernis de hele voorstelling liggend smikkelde van een in zilverpapier gewikkelde komkommer, veerde overeind en murmelde afkeurend toen de hoofdrolspeler aan het eind van de documentaire met rolstoel en al in een bestelbusje werd gepropt.

„Why?”

Na afloop zocht de zaal naar duiding.

De Litouwse filmmaker werd naar voren gehaald, een wat smoezelige jongen in een spijkerbroek met een sleutelbos aan de riem. Hij kreeg een spervuur van vragen uit het publiek over zich heen.

Wat zeiden de beelden over de ziekenzorg in Litouwen? Waren er in dat land meer heroïneverslaafde bejaarden, was de hoofdrolspeler een van de velen?

Wat zei dit over de Europese Unie, kon die niets doen?

Was Litouwen een politiestaat?

Hoogtepunt, of dieptepunt, het is maar hoe je bekijkt, was een mevrouw met een mutsje die geschokt door alle ellende vroeg: „Why didn’t you help? Why didn’t you give him some money?”

De filmmaker zei dat hij een filmmaker was, hij registreerde slechts.

Hij stelde ons gerust met de mededeling dat we gewoon hadden zitten kijken naar een film van 65 minuten over een heroïneverslaafde zwerver met maar één been in Litouwen, waar we verder niets achter moesten zoeken. Daar was er in het hele land maar één van.