Het Stedelijk heeft door mij zijn trots terug

Ann Goldstein neemt morgen afscheid van het Stedelijk Museum, waar ze vier jaar directeur was . „Ik heb geprobeerd het museum zijn zelfvertrouwen terug te geven. Mijn opvolger kan met een schone lei beginnen.”

Portret van Ann Goldstein door Rineke Dijkstra

Ann Goldstein werd in 2010 de eerste vrouwelijke en de eerste buitenlandse directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, dat onder Willem Sandberg in de jaren vijftig en zestig uitgroeide tot een spraakmakende tempel van de avant-garde. Onder de latere directeuren Edy de Wilde, Wim Beeren en Rudy Fuchs bleef het gekoesterd als het belangrijkste museum voor moderne en hedendaagse kunst in Nederland. In 2003 ging het Stedelijk dicht en een lijdensweg van verhuizen, verbouwen en een alsmaar uitgestelde heropening begon. Onder Goldstein ging het Stedelijk in september 2012 eindelijk weer open. Met in ieder geval in één opzicht succes: er kwamen het eerste jaar meer dan 770.000 bezoekers kijken naar de nieuwe opstelling van de beroemde vaste collectie met Mondriaan, Matisse en Malevitsj, naar nieuwe aanwinsten als het portret van Beatrix door Luc Tuymans en naar tentoonstellingen van Mike Kelley en Aernout Mik. In augustus 2013 maakte Goldstein bekend dat ze vertrekt. Ze dient haar contract niet uit.

Uiterlijk lijkt de 56-jarige Ann Goldstein door haar Nederlandse periode niet veranderd: de lippen zijn nog steeds felrood, het haar knalzwart. Nog één keer spreekt ze zich uit over haar intense jaren bij het Stedelijk Museum. Ze zit op haar kamer boven in de badkuip, zoals de nieuwbouw van het museum ook door liefhebbers wordt genoemd. Is het Goldsteins badkuip geworden, Goldsteins museum, of is ze daarvoor te bescheiden, te stroef, te onbegrepen? De regen klettert tegen de schuine ramen, het wordt donker, als het opnameapparaat aangaat verstart ze. Morgen is het in ieder geval voorbij. Dan neemt ze afscheid met een ‘open huis’.

Wat is uw erfenis voor het Stedelijk Museum?

„Om dat uit te leggen wil ik iets van vroeger vertellen. Mijn ouders waren geen museumbezoekers. Ik ging met school voor het eerst naar een museum. Ik moet een jaar of acht geweest zijn, wat best oud is als je kijkt naar de kinderen die hier in het Stedelijk binnenkomen. Met de klas ging ik die eerste keer naar de Huntington Library in Pasadena, in Californië. Daar zag ik de portretten Pinkie van Thomas Lawrence en The Blue Boy van Thomas Gainsborough. Ik was daar zo van onder de indruk dat ik er meteen ansichtkaarten van gekocht heb. Bij dat bezoek is er een zaadje in mij geplant. Dat zo’n ontmoeting, zo’n aanraking nu weer mogelijk is in het Stedelijk, zie ik als mijn belangrijkste erfenis. Het geeft mij in ieder geval de grootste voldoening. Het gaat in een museum niet alleen om succes dat in cijfers is te vangen: om de bezoekersaantallen, om de hoeveelheid positieve recensies, om hoeveel geld je hebt gegenereerd of hoeveel vrienden het museum heeft gekregen. Hoe belangrijk dat ook is en hoe goed het met het museum ook is gegaan. Uiteindelijk gaat het om het beroeren van mensen. Iedereen die over de drempel komt heeft het recht om rond te dwalen en geraakt te worden.”

Waarom gaat u weg?

„Toen ik hier kwam, trof ik een gesloten museum in een diepe crisis aan. Ik moest mijn verwachtingen bijstellen. Ik wist dat ik geen bloemenweide zou betreden, maar dat weten en het ondergaan zijn toch twee verschillende dingen. Het werd absoluut mijn belangrijkste doel om het museum weer open te krijgen en weer op de kaart te zetten. Het museum was zijn zelfvertrouwen kwijt, zijn waardigheid was in het geding. Ik heb geprobeerd het die dingen terug te geven. Ik ben heel tevreden met wat er bereikt is. Deze lente kwam ik tot de conclusie dat ik niet langer dan mijn eerste termijn wilde blijven. Ik weet niet of er gevraagd zou zijn of ik wilde blijven. Ik heb die beslissing niet afgewacht. Ik heb mijn vertrek juist vervroegd omdat ik het museum niet wilde opzadelen met plannen die ik niet zelf kon afmaken. Ik heb zelf nogal wat tentoonstellingen, meer dan tien, geërfd toen ik hier kwam en het lijkt me goed als mijn opvolger met een schonere lei kan beginnen.”

Is dat niet juist een reden om te blijven? Het museum is open en functioneert goed, nu kunt u uw stempel op het beleid gaan drukken.

„Ik heb meer tentoonstellingen georganiseerd en op de agenda gezet dan ik ooit voor mogelijk had gehouden, te beginnen met de tijdelijke tentoonstellingen in het onaffe gebouw in 2010 en 2011, The Temporary Stedelijk, tot exposities van Lawrence Weiner, Lucy McKenzie, Jo Baer en Paulina Olowska. Mijn vingerafdrukken zitten op het hele programma.”

Maar dat zijn kleinere tentoonstellingen dan de grote die u heeft geërfd, zoals van Malevitsj en Mike Kelley en de nog komende shows van Marlene Dumas en Jeff Wall.

„Ik kwam hier niet om tentoonstellingen te maken, ik kwam hier om directeur te zijn, van een open museum welteverstaan. Het was nogal wat om vanuit de ongelooflijke chaotische situatie die ik hier aantrof weer een bloeiend museum te maken en dat ook nog op een moment van wezenlijke culturele verandering, met grote bezuinigingen op kunst. Ook de subsidie voor het Stedelijk Museum werd minder, we hebben mensen moeten ontslaan. En omdat ik heel lang echt niet wist wanneer het museum weer open zou gaan, vond ik het ongepast om nog meer tentoonstellingen op het programma te zetten. Ik maak niet graag beloftes waaraan ik me niet kan houden. Maar ik ben trots op wat er is bereikt. Nu kan iemand anders zijn stempel gaan drukken.”

Maar wilt u dat dan niet doen? Jeuken uw handen niet om hier eindelijk een tentoonstelling te gaan maken?

„Nee. Echt niet. Het spijt me. Ik heb me vooral met het grote geheel beziggehouden. Nogmaals, ik ben erg tevreden met wat er allemaal bereikt is, en wat ik zelf heb weten te bereiken als een voormalig conservator die in het Museum of Contemporary Art in Los Angeles vooral werkte aan tentoonstellingen gebaseerd op veel onderzoek. Ik ben blij dat ik mijn ervaringen en mijn netwerk heb kunnen inzetten om het Stedelijk terug te brengen in het leven van de mensen die het zo hebben gemist en te introduceren in het leven van mensen die er nog geen kennis mee hadden kunnen maken.

„Nederlanders klagen graag, is mij van verschillende kanten verzekerd, maar in dit geval hadden ze ook reden tot klagen. Om boos te zijn dat het museum zo lang dichtbleef. Ook in het museum zelf. De staf was toen ik kwam erg gedemoraliseerd. Ze kampeerden in het gebouw van de British American Tobacco Company in Sloterdijk, waar ze twee jaar zouden blijven. Het werden er uiteindelijk acht. Het museum excuseerde zich voor dingen waar het niets aan kon doen, zoals de bouwperikelen. Het museum is niet de eigenaar van het gebouw en was niet de leider van het bouwproces. Het museum was niet verantwoordelijk voor alle vertragingen maar excuseerde zich er wel voor.”

U kreeg in Nederland vaak een slechte pers. U zou niet zichtbaar genoeg zijn, niet publieksvriendelijk genoeg.

„Toen ik hier kwam wilde ik niet veel zeggen, omdat ik pas iets wilde zeggen als ik iets te zeggen had. Ik schrok van de vragen die ik soms kreeg, die door mij als te persoonlijk of als ongepast werden ervaren. Ik heb me vaak afgevraagd of het kwam door culturele verschillen dat er zo fel gereageerd werd. Kwam het omdat ik uit het buitenland kwam, dat ik Amerikaanse was, een vrouw, van middelbare leeftijd?

„Een belangrijk doel voor mij was dat ik het museum zijn trots wilde teruggeven. Ja, het bevond zich in een penibele situatie, maar ook als het slecht gaat moet je je hoofd hoog houden. Ik heb me misschien niet gerealiseerd dat trots dicht bij arrogantie ligt. Ik denk dat Amerikanen trots op een andere manier uitdragen, we ontlenen er energie aan. Het is voor ons een stimulans.

„Aan de andere kant wil ik juist graag dat het museum een warm, gastvrij huis is. Ik ben heel graag zichtbaar aanwezig in het gebouw. Ik lunch vaak in het restaurant zodat mensen me kunnen zien, ik drink vaak koffie in het café, ik zit graag bovenaan de trap. Daarom zal mijn afscheid op 29 november ook geen gesloten receptie zijn. Het museum blijft die laatste vrijdag twee uur langer open en iedereen is dan welkom. We kunnen wat drinken en I’ll be hanging out. Ik hoef geen toespraken en geen formaliteiten. Ik heb aan de raad van toezicht in plaats van een cadeau voor mezelf een cadeau voor het museum gevraagd. Er is voor de collectie een schilderij gekocht van de jonge schilder Evi Vingerling.”

Waarom van haar?

„Ik had een paar dingen voorgesteld in de hoop dat het een jongere Nederlandse kunstenaar zou worden en zij hebben deze gekozen. Ik bewonder haar schilderijen, iets wat gelukkig gedeeld wordt door een aantal conservatoren hier. We hadden ook nog geen werk van haar.”

Waarom houdt u zo van haar werk?

„Ik denk dat zij een heel interessante, serieuze kunstenaar is.”

Waarom?

„Omdat ze echt serieus met schilderen worstelt, en met de relatie tussen representatie en persoonlijke expressie. Ze maakt werk dat er herkenbaar uitziet maar waarvan je de bronnen niet kunt lokaliseren.”

?

„Soms lijken het bladeren of sterren of wolken maar het kunnen ook abstracte tekens zijn. Het is heel spannend.”

Is de rol van een museumdirecteur in Amerika anders dan in Nederland?

„In Europa is de directeur vaker de belangrijkste conservator. Dat komt onder meer omdat de directeur zich hier minder met fondsen werven hoefde bezig te houden, al is dat nu veranderd. Zelfs een artistiek directeur moet zich daar nu mee bezighouden. Er zijn daarnaast zeker specifieke ideeën over de directeur van het Stedelijk, die voortkomen uit het verleden van dit instituut. Dat verleden werd door de lange sluiting van het museum steeds prominenter. Als je geen heldere toekomst hebt, ligt de nadruk te veel op het verleden.”

Is de positie van het Stedelijk Museum veranderd? Wordt het Stedelijk steeds meer een historisch museum, zoals het Van Gogh?

„We bouwen voort op de ongelooflijke collectie. Meestal doen we aankopen van hedendaagse kunstenaars alleen al omdat we ons grote werken uit het verleden niet kunnen veroorloven. Het Stedelijk kan geen Rauschenbergs en De Koonings meer kopen. Maar soms kunnen we wel onbekendere oudere kunst verwerven, zoals een foto van Bruce Conner uit de jaren zeventig en een hologramsculptuur van Simone Forti. Zulke strategische aankopen verrijken het verhaal dat de collectie vertelt. Verder proberen we iets aan te kopen van elke kunstenaar die bij ons een tentoonstelling heeft. En het Stedelijk heeft een traditie van het in depth verzamelen van bepaalde kunstenaars. Werk van Marlene Dumas, Fiona Tan, Rineke Dijkstra en Luc Tuymans was al aanwezig in de collectie en dat hebben we gelukkig kunnen uitbreiden.”

Gaat u nu terug naar het MOCA, het museum in Los Angeles waar u 25 jaar heeft gewerkt voor u bij het Stedelijk kwam? Ze zoeken daar een directeur.

„Ik had mijn beslissing al genomen voor er bij het MOCA een vacature was. Ik heb besloten geen kandidaat te zijn. Ik kan de tijd nemen om na te denken over een volgende stap, of ik weer tentoonstellingen wil maken, wil schrijven of weer een museum wil leiden. Ik ga in ieder geval mijn tijd verdelen tussen Los Angeles en Keulen, waar mijn man (de kunstenaar Christopher Williams, red.) lesgeeft aan de kunstacademie.”

Bij het MOCA zitten kunstenaars in het comité dat naar een nieuwe directeur zoekt. Lijkt dat u ook een goed idee voor Nederland? Hier wordt een nieuwe directeur gezocht door de raad van toezicht, waar de laatste tijd nogal wat kritiek op is. Volgens kunstcriticus Anna Tilroe is de raad te commercieel gericht en zitten er te weinig mensen uit de kunstwereld in.

„De raad van toezicht is in Amerika iets anders dan hier. In Amerika moet je betalen om in zo’n raad te mogen zitten. Hier is dat niet zo. Een diverse raad is het beste, denk ik. Toen ik benoemd werd, zat er een vertegenwoordiger van een andere culturele instelling in de raad, Maria Hlavajova van BAK in Utrecht. Zoiets zou in Amerika niet snel gebeuren.

„Ik heb moeten wennen aan de overstap van een particulier naar een door de gemeenschap bekostigd museum. Mensen voelen zich veel meer bij dit museum betrokken. Zij betalen belasting en het museum is dus ook van hen.

„Ik hoop dat we nu van het idee van publiek bezit over kunnen stappen naar het idee van publieke verantwoordelijkheid. Maar dat is heel moeilijk in een cultuur waar individuele liefdadigheid niet de norm is. Alle culturele instituten hebben nu meer particuliere donaties nodig, maar liefdadigheid is niet een lamp die je opeens kunt aanzetten. Het kost tijd. Het kost moeite. Je moet met mensen aan tafel gaan zitten en ze overtuigen. Voor het Stedelijk was dat moeilijk, omdat het instituut niet meer in zichzelf geloofde. En de wereld is ook veranderd. Je kunt niet opengaan en verwachten dat de mensen wel komen. Er is veel meer concurrentie, lokaal, nationaal en internationaal. Er zijn nu Tate Moderns, er zijn nieuwe musea in Oost-Europa, in alle hoeken van de wereld. Je kunt niet achterover leunen en zeggen: wij zijn fantastisch.

„Ik hoop dat mensen gaan beseffen dat ze als individu verschil kunnen maken, door te komen en door te doneren. Ik zie een museum als een vehikel voor hoop en voor dromen. Het moet zo comfortabel zijn dat mensen nieuwsgierig durven te zijn. Ik herinner me een ontmoeting met een vrouw tijdens Temporary Stedelijk. Ik had in die tentoonstelling een aantal zalen leeg gelaten en dat veroorzaakte een controverse. Ze zei dat de lege zalen haar erg in verwarring hadden gebracht. ‘Ik weet niet wat ik ervan moet vinden’, zei ze, ‘ik weet niet of ik het goed vind.’ Ik vroeg haar hoe vaak ze was gekomen. Ze zei acht keer. Acht keer! Dat zijn de mooiste momenten.”