Artsen, omhels de app

Te vaak ziet Emma Bruns nog de fax, carbonpapier en de pieper in het ziekenhuis.

illustratie Hajo

Werken in de zorg is een troef op verjaardagsfeestjes. Dankzij anekdotes over hakbijlen in handen en sensationele auto-ongelukken heb ik altijd van alles te vertellen, een leger aan vertelkaarten. Maar naast het temperen van de Grey’s Anatomy-utopieën en andere mythes over ziekenhuizen is er ook nog een andere kant van de zorg: duur, duister en onbesproken.

Want in vergelijking met de rest van het land verkeert de zorgsector in een staat van technologische prehistorie. ’s Ochtends haal ik een pieper uit een rek (sommige lezers zullen wellicht niet meer weten wat dit is). De helft van de dag ben ik bezig naar een telefoon te rennen om het sein op te nemen. Specialisten communiceren per brief. Medicijnen voorschrijven gaat op doordrukvelletjes met carbonpapier (ook al een onbekend begrip misschien), een patiënt aanmelden bij de trombosedienst per fax.

Nostalgisch? Zeker.

En ook: bijzonder inefficiënt, foutgevoelig en duur. Als Shell, Rabobank of Ahold het zo zouden aanpakken, waren ze binnen een jaar failliet. Hoe kon het in de zorg dan zo ver komen?

Natuurlijk, er is dat eeuwige geldgebrek. Maar het ligt ook aan de mensen in de zorg zelf. De meesten van ons werken daar omdat we graag met mensen werken. We vinden het niet erg om ons op te houden in aftandse gebouwen. We dragen zonder morren de verschoten witte pakken die al duizenden keren zijn gewassen.

En we hebben weinig op met computers, apps en andere gadgets. We houden van echte dingen, die stinken, lachen, pijn doen en daarna het liefst genezen. Invoering van elke vorm van technologie roept weerstand op. Artsen besteden liever tijd aan mensen dan aan computers.

En als we dan wel iets nieuws proberen, gaat het niet altijd goed. Zo stapte mijn ziekenhuis kortgeleden over naar het nieuwe besturingssysteem SAP. De software van dit miljoenenbedrijf, oorspronkelijk ontworpen voor de distributie van verfblikken en tonnen olie, vormt intussen een gevaar voor de patiëntveiligheid.

En nee, dat komt niet doordat SAP digitaal is en we voorheen met een vulpen netjes in een status schreven. Het komt doordat een patiënt met buikpijn niet in eenzelfde algoritme te vangen is als een container vol verfblikken. Software in de gezondheidszorg hoort gebruiksvriendelijk te zijn. Als een arts driekwart van zijn tijd moet besteden om van alles in te voeren in de computer, zijn zowel hij als de patiënt slachtoffer van het systeem. Medici gedogen het systeem, omdat bij protest nog meer tijd verloren gaat – ten koste van de patiënt. Maar nog nooit heb ik iemand van de raad van bestuur op de afdeling gezien die kwam kijken of de nieuwe software een verbetering was. Als het maar een kostenbesparing oplevert.

Gelukkig lijkt de patiënt wel op zijn strepen te gaan staan. In andere sectoren zag je de laatste jaren al een duidelijke emancipatie van de consument. Reisbureaus zijn verruild voor vliegwinkels, makelaars voor Funda en Spotify werden het einde van menige muziekwinkel.

En na de consument eist nu ook de patiënt openheid en transparantie. Hij wil inzage in zijn medisch dossier, in de pillen die ze hem voorschrijven en in de kundigheid van de chirurg die in hem gaat snijden. Terecht.

Technologie kan kwaliteit zichtbaar maken. Het verzamelen van grote hoeveelheden data – aantallen operaties, mogelijke complicaties, de mening van patiënten – geeft een betrouwbaarder beeld van de werkelijkheid dan een lukrake ranglijst van beste ziekenhuizen.

Die technologie is er nu: E-health, die de zorg kan verbeteren. Informatietechnologie in de zorg is gestoeld op drie belangrijke pijlers: communicatie tussen de zorgverlener en de patiënt, tussen de zorgverleners onderling en tussen zorgverleners en externe partijen (verzekeraars, politiek, wetenschappers). Technologie verbetert deze drie soorten communicatie. In Silicon Valley maar ook in Nederland is de medische wereld een goudmijn voor jonge ondernemers. Hun technologische applicaties zijn niet zomaar wat losse, creatieve flodders. Hun animaties en infographics slaan een brug tussen een klacht die misschien nog niet eens bestaat en mogelijke gezondheidswinst in de toekomst.

Want zoals het moeilijk is geld te sparen als je geen doel voor ogen hebt, zo is het lastig nu gezonder te leven om later niet ziek te worden. Vandaar dat banken apps hebben waarbij je spaargeld langzaam een motorfiets wordt. En vandaar dat je nu iets vergelijkbaars in de zorg kunt doen met leefgewoonten. Kies je nog voor die hamburger als je via een animatie ziet wat dat met je bloedvaten doet?

Mensen die niet ziek worden, hoeven ook niet te genezen. Geen overgewicht betekent minder versleten gewrichten, minder ouderdomssuikerziekte en minder hoge bloeddruk. Niet roken betekent minder longkanker en minder beenamputaties.

Apps als Fitocracy (een soort Facebook voor sport) maar ook MobiHealth (een app voor overleg op afstand tussen arts en patiënt) helpen iedereen, gezond of ziek, om gezonder te leven. Er is nog meer moois. Als je ziek wordt, wil je weten waar de beste zorg wordt geleverd. Door klinische informatie vast te leggen en aan elkaar te koppelen (met de app Practisefusion) wordt het makkelijker verschillende instellingen en zorgverleners met elkaar te vergelijken.

Motherknows (waarbij ouders online het medisch dossier van hun kind altijd bij de hand hebben) en Patients know Best (waarbij alle documentatie van verschillende specialismen aan de patiënt wordt gegeven) dragen bij aan de veiligheid. Deze apps maken het mogelijk als patiënt informatie online te bewaren. Ze zorgen ervoor dat niet alleen artsen, maar ook de patiënt relevante informatie over zijn ziekte vastlegt en eventuele fouten kan corrigeren. Immers, de patiënt kent zijn eigen lichaam beter dan de arts.

Tot slot openbaren veel apps voor de arts de kennis van collega’s. Crowdmed (waar moeilijke gevallen samen opgelost worden) en Dermlink (huidaandoeningenconsult) geven artsen de mogelijkheid problemen aan elkaar voor te leggen: de basis van het succes van internet.

Bekend is Parkinsonnet, van hoogleraar neurologie Bas Bloem. Met informatietechnologie weet hij de vele behandelaars van een Parkinsonpatiënt samen te brengen. En daarmee krijgt niet alleen de patiënt een betere kwaliteit van leven, maar gaan ook – en dat moet raden van besturen, verzekeraars en ministers aanspreken – de kosten naar beneden. Maar als dit er allemaal al is, waarom faxen artsen dan nog naar elkaar en rennen ze hun pieper achterna?

Elke verandering roept in het begin weerstand op. Zeker in de geneeskunde, waar mensen traditie boven nieuwlichterij verkiezen. Terecht, want het is ethisch gezien onaanvaardbaar mensenlevens in de waagschaal te stellen omwille van verandering.

De huidige stand van zaken op het gebied van communicatie in de zorg is te vergelijken met een middeleeuwse stad zonder riool. De informatie van de patiënt passeert zo veel verschillende computersystemen, faxapparaten, uitgeprinte formulieren en onleesbare handschriften dat het een wonder is dat het nog zo vaak foutloos verloopt.

Zelfs René Laennec (1781-1826) had het daar al moeilijk mee. Toen de Franse arts twee jongetjes op straat door een holle pijp met elkaar zag praten, bedacht hij een onmisbaar instrument in de medische wereld: de stethoscoop. Het was één van de eerste vormen van technologische vooruitgang in de geneeskunde. Hij werd door zijn collega’s weggehoond.

De volgende keer als ik twee jongens op straat een iPhone zie hacken, geef ik hun een schouderklopje namens Laennec.