Stel geen vragen en laat de logica los

Britse surrealistische comedygroep was cult en is nu een geliefd instituut

De enige echte reünie had Monty Python – die begin juli weer bijeen komt voor vijf uitverkochten voorstellingen in Londen – al in 1989 in het tv-programma Parrot Sketch Not Included. Dat was een compilatie van grootste hits, maar er zou ook ‘nieuw materiaal’ te zien zijn. Na 71 minuten was er nog geen splintertje nieuw materiaal voorbijgekomen. Op het eind mijmert presentator Steve Martin over Monty Python: „Waar zijn ze toch gebleven?” Dan draait hij zich om en zegt: „Nou, ze zitten hier in deze kast.” Hij opent de kast en daar staan de zes leden bijeen. Voordat ze iets kunnen zeggen, sluit Martin de deuren en vertrekt. Pythonlid Graham Chapman ziet er bleekjes uit in de kast. Een dag voor de uitzending overlijdt hij.

„Van cult naar instituut” zei een van de leden over Monty Python. Er is een asteroïde naar ze vernoemd (13681 Monty Python), het begrip ‘Pythonesque’ staat in het Britse woordenboek, en in de Britse inburgeringstest zitten vragen over sketches van Monty Python. De groep is typisch Brits, maar heeft fans in de hele wereld.

Net als bij de optredens van The Rolling Stones of Bob Dylan wordt er wat schamper gedaan over de leeftijd van al die Python-fans. Inderdaad, dat zijn de babyboomers (zestigers) en hun kinderen (veertigers). Is Monty Python daarmee niet meer van deze tijd? Dat gaat uit van de misvatting dat iets ‘uit de tijd’ is als de jeugd er niet van houdt, een hardnekkig misvatting dat de babyboomers in de jaren zestig zelf in het leven hebben geroepen.

Toch even een kleine check: bij de Amsterdamse winkel Concerto zegt de dvd-verkoper dat inderdaad vooral veertigplussers nog Python-dvd’s kopen: „mensen die het zelf nog hebben meegemaakt”. De verkoper van 38 jaar acht zichzelf de ondergrens. Maar bij de redactie van nrc.next (twintigers, hooguit begin dertig) is Monty Python onverminderd populair, mede dankzij latere geestverwanten als Jiskefet en Hans Teeuwen.

Zonder verder onderzoek kunnen we wel veilig stellen dat Monty Python een genoegen is voor hoger opgeleiden. De komieken kwamen bijna allemaal uit Oxbridge cabaretgroepjes, dus ja, dat heeft wel iets studentikoos. Zoals de Romeinse soldaat in The Life of Brian, die een Joodse opstandeling kapittelt over taalfouten in zijn Latijnse graffiti. Of ‘The all-England Summarize Proust Competition’ en de ‘Philophers’ Football Match’: Duitse en Griekse filosofen die eindeloos lopen te peinzen en te discussiëren op een voetbalveld. Spits Friedrich Nietzsche krijgt een gele kaart van scheidsrechter Confucius omdat hij het bestaan van diens vrije wil betwist. Of de ‘Communist Quiz’, waarin kandidaat Karl Marx niet weet wie de Britse voetbalcup in 1949 won. „De strijd van het stadsproletariaat?” probeert hij nog.

Mmm, een quiz met Karl Marx, Mao, Che en Lenin zal misschien toch niet meer zo aanslaan nu. Het is ook best lang geleden. Veel sketches vertonen sporen van de jaren van de cultuurrevolutie. De gewelddadige animatiefilmpjes van Terry Jones zijn barokke surrealistische collages van ingekleurde foto’s en gravures uit de Victoriaanse tijd en uit kunstboeken geknipte reproducties, aangevuld met eigen psychedelische striptekeningen. Ook helemaal van die tijd is het schoppen tegen de instituten: het Britse klassensysteem, gezagsdragers, religie en de seksuele moraal. Monty Python deed vrolijk mee met het neerhalen van de oude structuren om een vrijere wereld te scheppen.

Ok, die anti-establishmentsatire doet misschien wat gedateerd aan. Maar juist bijzonder is dat de sketches ook kunnen bestaan zonder die context, en al minstens twee generaties meegaan. Terwijl humor doorgaans sneller slijt. Blijkbaar zat er naast het iconoclasme en de dubbelzinnigheden („nutch, nutch, know-whatimean”), ook nog iets tijdloos in.

En dat is de surrealistische, nonsensicale humor. Je kunt ook absurdistisch zeggen, maar dan moet je wel een duidelijk onderscheid maken tussen deze vorm en het grauwe existentialistische absurdisme uit de jaren veertig en vijftig. Daarom liever: surrealisme. Dat klinkt kleurrijker en vrolijker. En dan heb je ook meteen de Britse traditie te pakken, van Edward Lear en Lewis Carroll tot Spike Milligan.

Zoals de toneelabsurdisten de toneelwetten opbliezen, zo blies Monty Python de structuur van een tv-programma op. Soms kwam de begintune (de mars ‘De vrijheidklok’ van John Philip Sousa) pas halverwege, of volgde na de begintune meteen de aftiteling. Ook de sketchvorm werd opgeblazen. Dat hoefde geen scène meer te zijn die uitmondde in een clou. De Pythonsketches konden eigenlijk ieder moment afgelopen zijn, of overgaan in een heel andere sketch („and now for something completely different”). Daarmee zetten zij zich zo succesrijk af tegen een traditie, dat ze zelf een nieuwe traditie schiepen. Kijk maar naar Toren C of Sluipschutters.

Les één voor de nieuwe kijkers: stel geen vragen. Er is geen waarom, geen boodschap, geen onderlaag. Laat de logica los, of keer haar om. Dat maakt naar Python kijken – overigens zeer geschikt voor internetvideo – tot een bevrijdende ervaring. Vergeet al het voorafgaande, laat alles los. Maar blijf wel alert. Want voor je het weet staat de Spaanse Inquisitie in de huisk