Rugzak inleveren, en terug naar de gewone school

„Plotseling hoorde ik in de lerarenkamer opmerkingen als: dat kind is een echte autist”, zegt oud-schooldirecteur Frank Hoogeboom. „Toen wist ik: dit kan uit de hand lopen.” Inmiddels is hij, als directeur van het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs Noord-Kennemerland, verantwoordelijk voor de ondersteuning van alle 15.000 leerlingen in zijn regio.

De diagnostische blik van leerkrachten had volgens Hoogeboom alles te maken met de in 2003 ingevoerde leerlinggebonden financiering, beter bekend als het ‘rugzakje’. Voor elk kind dat aantoonbaar behoefte had aan extra ondersteuning, kon een reguliere school extra geld krijgen. Voorwaarde was meestal dat bij een kind een ‘handicap’ of ‘stoornis’ was vastgesteld.

Hierdoor werden meer ‘etiketten’ op kinderen geplakt dan ooit – zoals de diagnoses ADHD, ODD, PDD-NOS en syndroom van Asperger. Wilma Lozowski, beleidsmedewerker bij het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). „Alleen dan kon de school voor een kind extra ondersteuning krijgen.”

Van alle leerlingen in het basisonderwijs heeft nu 1 procent een rugzakje, in het voortgezet onderwijs 1,5 procent. Mede om de groei van rugzakjes en speciaal onderwijs in te dammen wordt vanaf augustus 2014 een ingrijpende hervorming ingevoerd onder de naam ‘passend onderwijs. Schoolbesturen moeten dan elke leerling een geschikte plek bieden; leerlingen met een ‘zorgbehoefte’ moeten zoveel mogelijk naar een reguliere school.

De opmars van aandoeningen had ook te maken met de bloei van de kinder- en jeugdpsychiatrie eind vorige eeuw. Nieuwe diagnoses deden hun intrede, zoals PDD-NOS en syndroom van Asperger – lichte vormen van autisme. De kennis over bestaande aandoeningen nam fors toe, zoals die over ‘aandachtstekort met impulsiviteit’, ofwel ADHD.

De boodschap van psychiaters, psychologen en orthopedagogen luidde dat deze aandoeningen vroeg moesten worden opgespoord en behandeld, in het belang van het kind. „Terecht”, zegt Lozowski. „Maar vaak kan je als behandelaar volstaan met het analyseren van de problemen bij een kind, zonder dat je daar onmiddellijk een diagnose aan vast koppelt. Doordat het systeem hier expliciet om vroeg, kwamen die diagnoses er toch.”

De urgente boodschap uit de kinder- en jeugdpsychiatrie bereikte rond de eeuwwisseling het onderwijs. „Leerkrachten kregen plotseling te maken met allerlei diagnoses waar ze helemaal geen verstand van hadden”, zegt Hoogeboom. „Maar ze moesten er wel snel iets mee doen, anders liep de ontwikkeling van het kind gevaar.”

In 2003 deed het rugzakje zijn intrede. Hiermee konden scholen specialistische kennis over psychiatrische aandoeningen inkopen bij regionale expertisecentra. „De ambulant begeleiders van deze centra waren vaak heel goed en hoorden er al gauw helemaal bij op scholen”, zegt Hoogeboom.

Ouders en scholen waren er volgens hem „heilig van overtuigd” dat ze kinderen deze kennis niet moesten onthouden. Maar het hek ging volgens Hoogeboom van de dam. „In hoog tempo begon het aantal rugzakjes in onze regio te groeien. Tot mijn verbazing zat er ook geen enkele financiële rem op. Of je als school nou tien of twaalf rugzakjes per jaar wilde, als de aanvragen in orde waren, kreeg je die gewoon.” Het aantal leerlingen met rugzakjes steeg van 11.000 naar nu 39.000.

Tot Hoogebooms teleurstelling betekende een rugzakje lang niet altijd dat er goede hulp kwam. „Maar dan lag er wel een diagnose die een langdurig stempel voor een leerling betekende, met alle mogelijke negatieve consequenties voor vervolgonderwijs of arbeidsmarkt.”

Een aantal leerkrachten deed volgens Hoogeboom weinig met een diagnose en liet de ondersteuning liever over aan de ambulant begeleider die twee keer per maand langskwam. „Terwijl ze zelf ook geacht werden aanpassingen te doen. Bijvoorbeeld door huiswerk voor leerlingen met autisme ook op het bord te schrijven, omdat zij informatie vaak langzamer verwerken. Of door leerlingen met oppositioneel gedrag beter te begrenzen.”

Hierdoor kon een leerling ondanks de rugzak vastlopen. „Dan concludeerde de school dat sprake was van handelingsverlegenheid en werd het kind naar een speciale school verwezen, terwijl dit niet altijd nodig was.”

De drempel naar het speciale onderwijs was volgens Hoogeboom te laag. Tegelijk met het rugzakje kreeg een kind namelijk ook een ‘toelatingskaartje’ voor een speciale school. „En aangezien de inspectie van scholen voor voortgezet onderwijs steeds betere prestaties verwachtte, lag de keuze voor verwijzing naar zo’n school voor de hand.”

Vooral zogeheten cluster-4-scholen, voor leerlingen met een psychiatrische aandoening of ernstige gedragsproblemen, groeiden de afgelopen jaren spectaculair: van 14.266 leerlingen in 2007 tot 34.819 in 2011. Die groei kwam vooral door leerlingen met een vorm van autisme, die inmiddels bijna 60 procent uitmaken van de populatie van deze scholen.

Deze leerlingen – meest jongens – waren hier lang niet altijd op hun plek, zeker niet als ze slim waren. Op veel cluster-4-scholen is vmbo het hoogst haalbare. Bovendien is zo’n 30 procent van deze scholen ‘zwak’ tot ‘zeer zwak’ volgens de onderwijsinspectie. Hoogeboom: „In feite werd soms tegen ouders gezegd: uw kind heeft extra ondersteuning nodig, we sturen hem naar een zwakke school. Dat is toch raar?”

Het rugzakje had de onstuitbare groei van het dure speciale onderwijs tot staan moeten brengen. Elk kind dat dankzij het extra geldbedrag op een reguliere school kan blijven, redeneerde het ministerie van Onderwijs, is er één minder in het speciale onderwijs. Dit bleek een illusie. Het speciale onderwijs groeide door, van 54.000 leerlingen in 2003 naar 70.000 nu.

Volgens het ministerie is het zorgsysteem in het onderwijs failliet. De uitgaven voor rugzakjes en speciale scholen zijn fors gestegen, terwijl de kwaliteit van de zorg achterblijft. Zo zijn veel leerkrachten in het reguliere onderwijs – met name voortgezet onderwijs – volgens de onderwijsinspectie nog steeds niet in staat om te gaan met verschillen tussen leerlingen.

Met de introductie van passend onderwijs gaat het roer om. Het rugzakje verdwijnt. Samenwerkingsverbanden van reguliere en speciale scholen krijgen een vast budget voor extra ondersteuning, gebaseerd op leerlingental in hun regio. Daarnaast krijgen schoolbesturen zorgplicht: ze móéten zorgen dat elke leerling een geschikte onderwijsplek heeft. ‘Afschuiven’ van leerlingen naar het dure speciale onderwijs blijft mogelijk. Maar anders dan vroeger zullen reguliere scholen financieel hard worden getroffen als ze dit te vaak doen.