Het woord ‘verleden’ viel niet in Jakarta

Zonder spectaculaire orders, maar wel met een optimistisch gevoel is minister-president Rutte afgelopen week teruggekeerd van zijn eerste bezoek aan Indonesië. De contacten zijn verbeterd en daar ging het volgens hem in eerste instantie om.

In de relatie met Indonesië is dit inderdaad al heel wat. Nederland heeft nu eenmaal patent op het onderhouden van een problematische verhouding met de voormalige kolonie, die zich steeds meer als economische motor in de regio manifesteert.

Het was dus de hoogste tijd voor hoog Nederlands bezoek aan Indonesië. Met naar het zich laat aanzien een positief resultaat. Premier Rutte en president Yudhoyono ondertekenden een verklaring waarin het streven naar „een gelijkwaardig en toekomstgericht partnerschap” wordt uitgesproken.

Ook in verschillende toespraken die premier Rutte in Jakarta hield, viel het woord toekomst regelmatig. Dat gold niet voor het woord verleden. Met de formulering in 2005 van toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot in de Indonesische hoofdstad dat Nederland zich „aan de verkeerde kant van de geschiedenis heeft bevonden” is blijkbaar politiek gesproken een streep onder het discutabele verleden gezet.

Voor zover het gaat om de vraag over het al dan niet uitspreken van excuses voor wat is voorgevallen tijdens de zogenoemde politionele acties is dit terecht. Maar waarheidsvinding over wat er toen precies is gebeurd, is een andere zaak. Nog altijd komen nieuwe verhalen naar buiten van gruwelijkheden die door Nederlandse militairen zijn gepleegd.

Voorts is er nog de in de maak zijnde biografie over de omstreden commandant Raymond Westerling. Daaruit zou, bleek zaterdag uit een artikel in NRC Weekend, een heel ander dan het tot nu toe bekende beeld oprijzen van generaal Spoor, die het opperbevel voerde over de troepen in Nederlands Indië. Op basis van tot nu toe geheim gebleven notities van het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt de conclusie getrokken dat Spoor buiten medeweten van zijn superieuren allerlei acties heeft ondernomen.

Drie nationale onderzoeksinstituten gaven in 2012 te kennen een studie te willen verrichten naar het gebruik van geweld door Nederlandse militairen tijdens de dekolonisatieperiode van Indonesië. Het kabinet heeft tot nu toe geweigerd dit financieel te ondersteunen. Los van de financiële kant – het betreft een bedrag van slechts 1,8 miljoen euro – is vooral de principiële reden van de afwijzing curieus. Er zou in Indonesië „onvoldoende draagvlak” voor een dergelijk onderzoek bestaan.

Maar het gaat hier net zo goed om Nederlandse geschiedenis. De toekomstgerichte agenda waar Nederland terecht zo graag met Indonesië aan wil werken, verdient een zoveel mogelijk onomstreden beschrijving van die geschiedenis.