Gevonden

Wie tijdens zijn leven nooit is opgevallen, kan altijd nog hopen dat hij pas tien jaar na zijn dood gevonden wordt. Dan ontstaat er meer aandacht voor zijn persoon dan hij ooit voor mogelijk had gehouden. Zo is het die bejaarde vrouw uit Rotterdam vergaan. De kranten lichten haar doopceel, iedereen wil weten wie zij was en wat haar dreef. Postume roem – het heeft wel wat. Je hebt er zo weinig last van en je hoeft er niets voor te doen, zelfs niet adem te halen, alleen maar wat te liggen.

Toen ik erover las, besefte ik meteen dat dit lot mij niet beschoren kon zijn zolang ik dagelijks columnist was. Op de krant zouden ze zich al op de dag van mijn dood afvragen waarom ik „zo laat was”. „Waar blijft-ie?”, zouden ze mijn weduwe vragen, „hij weet toch wat zijn deadline is?”

„Jazeker”, zou ze, hopelijk snikkend, uitbrengen, „maar hij is bezweken boven zijn stukje, hij kreeg het niet meer af.”

„Dan plaatsen we als eerbetoon juist dát stukje”, zou de eindredacteur, een praktisch man, kunnen voorstellen, „en dan zetten we er als kop boven: Mijn laatste stukje.”

„Een mooi idee, maar helaas niet haalbaar”, zou mijn vrouw dan móéten zeggen, „want dat wilde hij al als grafschrift.”

Toch begrijp ik niet helemaal de verbijstering over het feit dat die vrouw in Rotterdam zo laat is gevonden. Zijn we Natascha Kampusch nu al vergeten? Zij werd in een huis in een Oostenrijks straatje acht jaar lang door een idioot gevangen gehouden en mishandeld, zonder dat iemand iets in de gaten had. Toen ze eindelijk kon vluchten, sprak ze eerst een passant aan die niet reageerde, en vervolgens een buurvrouw die begon te klagen dat ze over haar gazon liep en haar niet wilde binnenlaten.

Achter de gevels van onze huizen gebeurt zoveel wat wij niet weten en vaak ook niet willen weten.

In Amsterdam en omgeving wordt om de dag een zogeheten woninglijk gevonden; dat is een lijk dat ten minste 24 uur in een woning heeft gelegen voor de lijkschouw werd verricht. Eens in de tien dagen gaat het om een persoon die al twee weken of langer overleden is. Dat ze in Rotterdam nog veel trager zijn in de lijkvinding, zegt misschien – uiteraard „met alle respect” – ook wat over die stad.

De ‘deskundigen’ beweren dat de vondst in Rotterdam het morele bankroet bewijst van onze hedendaagse individualistische maatschappij. Ik moet hen verwijzen naar de column Een natuurlijke dood van Saartje Burgerhart uit de bundel Wereldje-lief. Die gaat over een vrouw in Parijs die vijftien maanden na haar dood in haar woning gevonden werd.

„Iedereen heeft toch wel iemand?”, begint Saartje haar verbaasde stukje. En ze moet eindigen met: „Zo vergeten was zij toen ze leefde dat ze bij haar dood niet eens meer vergeten hoefde te worden. Zelfs geen nabestaande was er die vanuit de verte haar overlijden in de gaten zat te houden ter wille van een broche, een ladenkastje, een stel deugdelijke dekens op het bed die geërfd konden worden. Stil en onopgemerkt heeft ze vijftien maanden geleden de trappen voor het laatst beklommen, heeft de deur achter zich gesloten, is stil en onopgemerkt gestorven. Een natuurlijke dood, zegt de politie… Maar kan een dood voor een vrouw, levend in het jaar onzes Heren 1963, ooit ónnatuurlijker zijn?”

Vijftig jaar geleden schreef Saartje (pseudoniem voor Cri Stellweg) dit in de Volkskrant. Zelf stierf ze in 2006 op 84-jarige leeftijd. Gelukkig zeer opgemerkt.