De stad is er niet voor de ouderen

De stad heeft niet zo veel aan senioren, die zijn beter af in dorpen, vindt Gerard Marlet.

Illustratie Angel Boligan

Er bestaat een hardnekkig beeld dat de stad vergrijst. De babyboomers in de stad worden oud. En babyboomers van buiten de stad zouden na hun pensioen weer massaal naar de stad trekken. Om er te kunnen genieten van hun kleinkinderen, en hun geld uit te geven in de vele musea en theaters.

Steeds meer steden willen die kapitaalkrachtige senioren aan zich binden. In Amsterdam is zelfs een task force opgericht, om in de binnenstad meer woningen voor ouderen te realiseren.

De kiem voor de vergrijzing werd gelegd op 5 mei 1945. De oorlog was voorbij, en er werden weer massaal kinderen gemaakt. Die kinderen werden in 2011 allemaal 65 jaar oud. Op 1 januari 2010 was 15,3 procent van de Nederlandse bevolking 65 jaar of ouder. Op 1 januari 2011 was dat 15,6 procent. Maar twee jaar later, op 1 januari 2013, was dat ineens 16,8 procent.

Dat ook de stad zou vergrijzen is een misverstand. Zeker, er worden ook daar meer mensen oud dan er worden geboren. Maar de vergrijzingstendens gaat juist grotendeels aan de stad voorbij. Vijfentwintig jaar geleden was 14 procent van de bevolking in de Nederlandse steden ouder dan 65 jaar. Nu is dat nog steeds ongeveer 15 procent. Vijfentwintig jaar geleden was minder dan 12 procent van de bevolking in de dorpen rond de steden ouder dan 65 jaar. Nu is dat al bijna 20 procent. En vijfentwintig jaar geleden was nog meer dan 15 procent van de bevolking van Amsterdam ouder dan 65 jaar. Nu is dat minder dan 12 procent. Bevolkingsprognoses van het Planbureau voor de Leefomgeving laten zien dat dat percentage ook over tien jaar niet boven de 15 procent zal uitkomen.

De meeste mensen die sinds 2011 65 jaar zijn geworden hebben de stad allang verlaten. Ze wonen lekker rustig in de dorpen rond de stad. Door senioren wordt sowieso weinig meer verhuisd. En als ze al verhuizen, is dat meestal naar het verzorgingshuis. Van de wel verhuizende senioren gaan er meer de stad uit, dan de stad in. Zelfs Amsterdam werd vorig jaar nog door zo’n achthonderd 65-plussers meer verlaten dan dat er in kwamen.

Van een massale trek van senioren naar de stad is dan ook geen sprake. Toch willen steeds meer steden specifiek beleid maken, om ouderen aan zich te binden. Huizen worden aangepast, voorzieningen afgestemd, en het zal niet lang meer duren of er wordt gepleit voor een netwerk van rollatorpaden door de binnensteden. Behalve het eigenbelang van de babyboomers onder de politieke elite in de stad, is er geen reden te bedenken waarom een stad ouderen extra zou moeten faciliteren. Waarom gemeenschapsgeld zou moeten worden aangewend om huizen, openbare ruimte en voorzieningen aan te passen aan de specifieke behoeften van ouderen.

De stad is niet de meest voor de hand liggende woonomgeving voor senioren. Jonge mensen vinden in een stad drie dingen: meer kans op passend werk, meer kans op een leuke partner, en meer keuze uit een breed scala aan stedelijke voorzieningen. Jonge mensen hebben er dan ook relatief veel voor over om in zo’n (binnen-)stad te kunnen wonen. Oudere mensen hebben in ieder geval geen werk meer nodig. Een nieuwe partner soms wel, maar de vraag is of de bruisende binnenstad voor hen de beste plek is om die te vinden. Bovendien maken ouderen gebruik van maar een klein deel van de voorzieningen in de stad, en vooral van (zorg-) voorzieningen die niet specifiek stedelijk zijn, en dus ook elders ruimschoots te vinden zijn. Zeker, ook vitale ouderen willen af en toe naar het museum, het concertgebouw, of zelfs naar een optreden van de niet te stuiten Moody Blues in de Heineken Music Hall. Maar die locaties zijn uitstekend te bereiken vanuit de dorpen rond de stad. Per openbaar vervoer bijvoorbeeld, waarin senioren met korting, en soms zelfs gratis, mogen reizen.

Senioren hebben niet zo veel aan de stad, en de stad heeft niet zo veel aan senioren. De stad floreert, omdat hij een broedplaats is van jong en creatief talent, waar nieuwe ideeën ontstaan, nieuwe bedrijven worden gestart, en bestaande bedrijven innovatiever en productiever zijn. Senioren werken niet meer, en dragen daar dus niets meer aan bij.

De stad is niet alleen een productiestad, maar ook een consumptiestad, waar mensen hun geld uitgeven in de vele theaters, restaurants en kroegen. Waar ze niet alleen elkaar inspireren, maar ook banen creëren, voor de onderkant van de arbeidsmarkt. 65-plussers hebben de laatste jaren echter veel minder geld aan ‘verteringen buitenshuis’ uitgegeven dan 65-minners. Het zou met de opeenvolging van generaties kunnen veranderen, maar op dit moment dragen senioren dus ook langs die route relatief weinig bij aan de vitaliteit van de stad.

Er zijn zeker manieren te bedenken waarop senioren meer bij kunnen dragen aan de stad dan hun jongere stadsgenoten. Door sociale controle zijn de buurten en wijken waarin ze wonen over het algemeen bijvoorbeeld veiliger, en is er minder overlast. En misschien kunnen senioren een belangrijke rol gaan spelen in de participatiemaatschappij waar zo vurig naar verlangd wordt. Maar het is de vraag of dat in de stad moet zijn, en of dat voldoende reden is voor positieve discriminatie van, en stimuleringsbeleid voor, ouderen in de steden.

Het staat iedereen vanzelfsprekend vrij om te gaan en staan waar hij wil. Dus als onze ouderen ‘koste wat het kost’ tot aan hun dood in het centrum van de stad willen blijven wonen? Prima! Maar laat ze de kosten daarvan dan ook zelf dragen.