Belonen als remedie tegen zesjescultuur

Een tijdje geleden las ik een artikel van Sander Dekker waar ik het roerend mee eens was. De staatssecretaris betoogde in de Volkskrant dat onderwijs het beste uit leerlingen moet halen, maar dat Nederland daar maar ten dele in slaagt. We zetten in op extra onderwijs voor slecht lerende leerlingen, maar er wordt zelden iets opzij gelegd voor uitblinkers. „En daarmee laten we talent onbenut”, aldus Dekker. Eindelijk, dacht ik, wordt er ook eens aan de andere kant van het scala aan leerlingen gedacht.

In Nederland heerst een collectief medelijden met zwakke presteerders op school. ‘Het rugzakje’ afpakken? Minder geld steken in extra leerondersteuning? Iemand hoeft het alleen maar in zijn hoofd te halen en half Nederland staat luidkeels protesterend bij hem op de stoep. Maar hebben we het over excellente leerlingen, dan worden alle problemen gebagatelliseerd. Elk initiatief om hieraan iets te verbeteren wordt de grond ingeboord door mensen die niet begrijpen hoe het is om zes jaar lang uitdaging- en beloningloos in de les te zitten.

Dekker zei in het artikel te streven naar uitdagender onderwijs en het belonen van topprestaties. Hoe zou die beloning vorm kunnen krijgen? Ik heb, als zeventienjarige gymnasiast die hoge cijfers haalt en onvoldoende wordt uitgedaagd, wel wat ideeën.

Wiskundeboek ipv Playstation

Het kosten-batenprincipe is de drijfveer achter prestaties. Waarom zou iemand zijn best doen als hij er niets wezenlijks voor terugkrijgt? Welke leerling haalt het in zijn hoofd negens en tienen te halen als zijn klasgenoot met zesjes hetzelfde diploma krijgt?

Goed presteren op de middelbare school zou leerlingen voortaan voordelen moeten bieden in het hoger onderwijs: een felbegeerde beurs, cum laude voor lotingstudies of een andere te bedenken beloning. Als iemand zijn of haar klasgenoot bijna gratis aan de universiteit zal zien studeren, zal hij sneller die Playstation verruilen voor een wiskundeboek. Dit is niet moeilijk te verwezenlijken: het invoeren van een landelijke cumlauderegeling, of het vergeven van een door het bedrijfsleven gesubsidieerde studiebeurs, kost de overheid amper iets.

Verder is het belangrijk dat er meer contact is met universiteiten. Uit eigen ervaring weet ik dat 90 procent van mijn klasgenoten nog niet eens weet wat hij wil studeren. De universiteit is nog ver weg en eng. Het mes van nauwere samenwerking met universiteiten snijdt juist aan twee kanten: én meer transparantie en informatie rondom vervolgopleidingen én de kans voor excellente leerlingen om uit te blinken in een uitdagend, aan de universiteit verbonden excellentieprogramma. Denk hierbij aan initiatieven als LAPP-Top (Universiteit Leiden) en Junior Med School (Erasmus).

Race voor het hoogste cijfer

Nog een laatste advies: sta als docent open voor excellente leerlingen. Wees niet bang om voor een vol lokaal een lastige vraag precies uit te leggen, ook al gaat dat veel verder dan de stof. Zorg voor af en toe extra verdieping in je les, al is het maar voor een paar leerlingen. En bovenal: geef die leerling alsjeblieft eens een blijk van waardering, al is het maar een complimentje of vlaggetje naast een tien op zijn repetitieblaadje.

De kans is groot dat het onderwijsniveau zo niet alleen voor de excellente, maar ook voor de andere leerlingen omhoog gaat. Vooral pubers, excellent of niet, zijn er erg gevoelig voor om de beste te willen zijn. In hun race voor het hoogste cijfer of een studiebeurs schieten de prestaties van de klas omhoog en dat is wat we willen.

We moeten het onderwijs weer positief benaderen en kansen bieden voor iedereen. Niet verplichten boven de 5,5 te halen, maar met belonen stimuleren een 10 te scoren, want van de 10 die je morgen gaat halen voor je geschiedenisrepetitie worden Sander, je school, je ouders en straks ook nog jijzelf heel blij.

Martijn Janse (17) is gymnasiast in het vijfde leerjaar