Als de torens slingeren

Wat betekenen de aardbevingen voor het cultureel erfgoed in Groningen? Negenenzestig rijksmonumenten hebben schade. „Dit is een stil rampgebied.”

In een zuil in het kerkje van Oosterwijtwerd is een diepe scheur ontstaan.

Het Groningse dorp Tjamsweer is een baken kwijt. De karakteristieke schoorsteen van de vroegere olieslagerij aan het Damsterdiep is uit het landschap verdwenen. Gaswinningsbedrijf NAM heeft de achttien meter hoge pijp uit voorzorg van zijn sokkel gehaald. Omvallen kan het rijksmonument nu niet meer. Pas als de sokkel is versterkt, gaat de pijp er weer op.

Gaswinningsbedrijf Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) stuurt inspectieteams kris kras de provincie Groningen door. Die teams brengen risicovolle situaties in kaart met huizen, kerken, torens, molens, de statige borgen, boerderijen en andere gebouwen – in totaal 65.000 adressen waarvan zo’n 100 met gezichtsbepalende cultuurhistorische waarde. Dat is nodig nu Noord-Groningen steeds vaker en steeds krachtiger beeft door gaswinning – de zwaarste schok had een kracht van 3,6 op de schaal van Richter.

Zo werd op kosten van de NAM de schoorsteen van de steenfabriek in Wirdum platgegooid. Een week eerder werd een woonhuis naast de kerktoren in ‘t Zandt ontruimd. Er dreigt instortingsgevaar. Ook de stoep ervoor is verboden terrein. Als uit de gevel brokstukken op straat vallen, komen ze op de bushalte terecht. Zoiets dreigde ook bij de hervormde kerk in Scheemda. Om bezoekers te beschermen zijn alle losse stenen uit het pas gerestaureerde timpaan boven de ingang gebikt.

De aanpak maakt deel uit van het project ‘Bouwkundig Versterken’ waarvoor het gaswinningsbedrijf in februari 100 miljoen euro uittrok. Ingenieursbureau Arup helpt uitzoeken hoe gevaarlijke situaties kunnen worden voorkomen. Met computermodellen wordt bepaald welke bouwkundige versterkingen nodig zijn om gebouwen weer „aardbevingsbestendig” te maken.

Maar bewoners, architecten en bouwkundigen plaatsen daar vraagtekens bij. Aardbevingsbestendig (ver)bouwen in Noord-Groningen kan helemaal niet, zeggen ze eensgezind. Daarvoor is de ingeklonken kleigrond te slap en te instabiel. Daarvoor zijn de bakstenen funderingen, als ze er al zijn, te kwetsbaar. Om over de beeldbepalende monumenten niet te spreken: hoe bescherm je cultureel erfgoed tegen schudden, schokken en slingeren? Kunnen de middeleeuwse kerken een aardbeving met een kracht van 5 op de schaal van Richter weerstaan?

Een speciale ‘aardschokwerkgroep’ van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed helpt mee dat te onderzoeken. Negenenzestig rijksmonumenten in Noord-Groningen hebben schade door de aardbevingen, telde de Rijksdienst desgevraagd. 34 kerken, 15 huizen, 13 boerderijen, 3 molens, twee landhuizen, één oud raadhuis (dat van Appingedam), en één horecagelegenheid. De meeste monumenten staan in Loppersum (18), Eemsmond (13) en Delfzijl (11). De schade varieert van scheuren tot instabiele schoorstenen. Soms zijn noodreparaties uitgevoerd aan plafonds en stucwerk, zoals bij boerderij ‘De Haver’ in Onderdendam. Maar de schade aan het pand uit 1891 bleek zo „fors, uitzonderlijk en moeilijk herstelbaar” dat de NAM de eigenaar heeft uitgekocht.

Kwetsbare monumenten, zegt bouwkundige Theo Elsing, moet je voor de duur van de aardbevingen stutten met stalen balken en eventueel een stevig korset. Dat staat in zijn pas verschenen handleiding Leven op een breuklijn, voor eigenaren van monumenten in het aardbevingsgebied. Dat lijkt een drastische ingreep, erkent medeauteur Ina Vlootman, maar „wat is dertig jaar voor een kerk uit 1240? Het stut- en stempelwerk is tijdelijk. Je kunt er in het landschap ook nog een kunstwerk van maken. Want onze generatie moet met de bevingen leren leven. Het is hier een stil rampgebied.”

Bouwkundige Jur Bekooy van de Stichting Oude Groninger Kerken gruwt van zulk ingrijpen. „Ik noem dat voorbarig. Mag ik eerst op zoek naar de feiten?” Van ‘zijn’ 45 kerken in het gaswinningsgebied hebben er 22 aardbevingsschade, stelde zijn stichting samen met de NAM vast. Scheuren in muren en gewelven, sommige lopen dwars door muurschilderingen heen. En als „de ingenieurs en werktuigbouwkundigen van de NAM dan adviseren dat ik die moet volstoppen met kneiterharde epoxylijm, pieker ik daar niet over. Dan hebben we over vijftien jaar een epoxykerk. Scheurt bij een volgende beving de plek ernaast. Dat krijg je ervan als de lijm sterker is dan de stenen.”

We lopen in Oosterwijtwerd om het verstilde dertiende-eeuwse kerkje heen. Dat is gebouwd van zachte middeleeuwse bakstenen (kloostermoppen) op een wierde van afval, plaggen en kwelderzoden met uitzicht over het weidse Hogeland. De NAM noteerde 97 ‘aardbevingsgerelateerde incidenten’ in het schaderapport. De stichting buigt zich nu over het herstelplan. Dat heeft een restauratiearchitect geschreven. Want niet elke scheur hoeft per se te worden gevuld. Restaureren is vernielen, is het credo van Bekooy, en mag alleen als het litteken het niet houdt.

Neem de dakruiter. In Oosterwijtwerd staat dat houten torentje nog stevig op vier poten. Maar in Klein Wetsinge staat die op twee poten en de voorgevel, omdat de zuinige kerkvoogd goedkoper uit wilde zijn. Moet de stichting die dakruiter nu op vier poten laten zetten? Nee, vindt Bekooy: liever niet, tenzij het niet anders kan. Hiermee tast hij de identiteit van de kerk aan. „Dan snijd ik een laagje geschiedenis weg. Elke kerk vertelt zijn eigen verhaal. En daar moeten we zuinig op zijn. Want dat verhaal vertelt ook de geschiedenis van de mensen met het kerkgebouw. Het geeft een streek zijn ziel. ”