Voortreffelijke Nederlandse documentaires

‘Ne me quitte pas’ en ‘Land van aankomst’ vallen op.

Onder de bijna 300 documentaire films uit de gehele wereld die dezer dagen te zien zijn op IDFA in Amsterdam houden de Nederlandse films zich alleszins staande. Er gingen dit weekeinde twee in première, die – beide voortreffelijk – twee heel verschillende kanten van de Nederlandse documentaire laten zien.

In Ne me quitte pas van de jonge filmmakers Niels van Koevorden en Sabine Lubbe Bakker – een Nederlands-Vlaamse coproductie – zit de camera een tweetal Belgische alcoholisten onwaarschijnlijk dicht op de huid. Maar het is geen film over alcoholisme, meer een geheel met beeldtaal en gespreksfragmenten opgebouwd cinematografisch verhaal over twee mannen die eigenlijk elke twee mannen zouden kunnen zijn. Over het leven als hopeloze onderneming gaat het, en over keerpunten en dramatische momenten die bij nader inzien slechts schijn blijken. Ne me quitte pas, kandidaat voor zowel de prijs voor lange documentaires als die voor Nederlandse documentaire, is zeker een van de beste en opvallendste films op het festival tot nu toe.

Van een andere, meer journalistieke orde is Land van aankomst van René Roelofs en Paul Scheffer. Het is een uit archieffragmenten opgebouwd panorama over de komst van gastarbeiders naar West-Europa in de jaren zestig, tot en met de toenemende vreemdelingenhaat in de laatste decennia. In honderd minuten behandelt de film zoveel landen en verwikkelingen, dat het haast niet anders kon of deze film moest na de première onder de toeschouwers wel heftig debat losmaken. Aan de inventiviteit en het talent van de filmmakers doet dat debat echter niets af.

Onder de buitenlandse premières: Ai Weiwei van de Deense regisseur Andreas Johnsen laat zien hoe subtiel repressie kan zijn in China. De Rus Aleksandr Gentelev geeft in Putin’s games een schokkend beeld van corruptie en machtspolitiek rond de voorbereidingen voor de Olympische Spelen in de Russische badplaats Sotsji.