Volwassenheid op de loer bij Jake Bugg

Foto Reuters

Brutaal is het wel, om als jonge hond je album (op een koppelteken na) precies zo te noemen als een cd van Mark Knopfler uit 2004. Jake Bugg had haast, want voor zijn twintigste verjaardag wilde de Engelse folkrocker een tweede album uitbrengen. Sterproducer Rick Rubin herkende zijn talent en haalde hem naar zijn studio Shangri-La in Malibu, voorheen het domein van The Band en Bonnie Raitt.

Op het eerste gehoor lijkt openingsnummer There’s a beast and we all feed it een al te gemakkelijke reprise van de rockabilly-achtige muziek waarmee Bugg in 2012 zijn naam vestigde. Pas in zijn nuances klinkt het album Shangri La als een grote stap voorwaarts van een zanger met een nasale, indringende stem die aan het keurslijf van een ‘nieuwe Dylan’ ontsnapt.

Net als op zijn nog maar nauwelijks een jaar geleden verschenen debuut kreeg Bugg hulp bij het componeren van de wat oudere Ierse singer-songwriter Iain Archer. Met routiniers Pete Thomas uit Elvis Costello’s Attractions en Jason Lader (The Mars Volta) in zijn studioband bereikt Bugg een evenwichtig geluid met teksten die soms nog ontwapenend jong en naïef klinken, in het kwetsbare A song about love en de kale akoestische ballade Pine Trees.

Maar volwassenheid ligt onafwendbaar op de loer, zowel in muzikale diversiteit als in de tekstonderwerpen. In Messed up kids doemt zelfs een sociaal commentator op van het kaliber Bruce Springsteen, die zijn wrange observaties over economische ‘hard times’ weet te vangen in een persoonlijk verhaal over de mensen die erdoor geraakt worden. Het stevig rockende What doesn’t kill you maakt gebruik van een oude riff van The Stooges en de fuzzgitaarblues van All your reasons benadert de intensiteit van Neil Young & Crazy Horse.

Jake Bugg heeft die referenties nu nog nodig, maar is met Shangri La hard op weg om tot de grote originals van de Britse popmuziek te gaan behoren.

Jan Vollaard

26 en 27 november speelt Jake Bugg in Paradiso, Amsterdam. Beide shows zijn uitverkocht.