Ontwapenend als een Witte Mandela

In the Shadow of the Sun: albino vecht voor recht.

Albinorechten. In Tanzania bestaan ze amper. Albino’s werden er nagekeken, uitgescholden, bedreigd en in elkaar geslagen. En in stukken gesneden: volgens toverdokters zouden de lichaamsdelen van albino’s geluk brengen. Van een been word je rijk en met een albinohaar in je net vang je meer vis. In 2011 waren er alleen in Tanzania al tientallen albino’s vermoord.

Josephat Torner probeert dat bijgeloof te bestrijden. In de documentaire In the Shadow of the Sun van Harry Freeland (2012) was gisteren te zien hoe hij als witte tussen zwarten campagne voert, om zijn landgenoten te overtuigen dat hij geen geest of demon, maar mens is.

Freeland maakte een intiem en indringend portret van Torner en zijn jongere lotgenoot Vedastus, die ervan droomt om te gaan studeren. Omdat Vedastus slecht ziet, kon hij nooit lezen wat er op het schoolbord stond en haalde hij zijn examens niet. Nu zit hij thuis en knutselt tv’s van karton, met krantenpapier in plaats van een scherm. De nadelen van albinisme kan hij zo opnoemen. Albino’s zien slechter. Door hun bleke huid verbranden ze sneller en krijgen ze eerder kanker. Maar het grootste nadeel: ze zien er anders uit.

Albino’s missen het gen voor melanine, het gen dat pigment in ogen en huid aanmaakt. Iemand is pas een albino als hij twee defecte kopieën van het melanine-gen erft (het gen is recessief). Zo kan het dat een zwarte man en een zwarte vrouw toch een wit kind met albinisme krijgen. Dat is tovenarij, volgens de witchdoctors.

„Ik moet op reis”, zegt Torner tegen zijn familie als hij besluit om Tanzania in te gaan. In de felle zon, met een hoed op zijn hoofd, brengt hij met humor een indringende boodschap: „Ik ben geen duivel. Vermoord ons alsjeblieft niet.” Zijn publiek kijkt weg, mensen reageren lacherig. Je proeft het ongemak. De lach is het grootste wapen van Torner. Hij ontwapent als een witte Mandela.

Vedastus (14) is nog niet zo ver. De albinoschool waar hij naar toe wil zit vol. Weer een jaar binnenzitten, ijzerdraad vouwen. Uiteindelijk komt Vedastus op een normale school terecht. „Maak je geen zorgen. Hier zijn we allemaal gelijk”, zegt de klassenoudste. De kijker hoopt het, en even lijkt het alsof alles goed komt, in Tanzania.

En dan stapt Torner een kamp vol volwassen albino’s binnen. Voor het eerst zien we hem terneergeslagen. Om de moorden te stoppen, hebben verschillende dorpen uit de omgeving alle albino’s bij elkaar gezet. Het hek moet de albino’s tegen de buitenwereld beschermen, maar je vraagt je af of de dorpelingen niet een omgekeerde bedoeling hadden toen ze het kamp bouwden. De vragen die de kampkinderen aan Torner stellen, zijn veelzeggend: „Sta jij ook op de lijst? Word jij ’s avonds ook geteld?”

Tanzania lijkt zo ver weg. Maar vorige week sprak Sophie Hilbrand in Je zal het maar zijn met Mirjam, een Nederlands meisje met albinisme. Mirjam is succesvol: ze promoveert bij een herseninstituut en werkt als model. Op straat wordt ze soms nageroepen, vertelt ze in een openhartig gesprek, of aangesproken met de vraag hoeveel ze kost. Die irreële angst schuilt overal.

Wetenschapsredacteur Lucas Brouwers vervangt deze week tv-recensent Hans Beerekamp.