Mooie constructies van staal, veer en bot

Christiaan Zwanikken: ‘Phoenix’ (2003)

Hij vindt zijn materiaal in het stof, aan de voet van de berg, in de droge bedding van de rivier, tussen doornstruiken. De Nederlandse kunstenaar Christiaan Zwanikken zoekt skeletten van vogels, konijnen, hazen, ratten en muizen in en om het eeuwenoude, Portugese klooster São Francisco. Hier woont en werkt de kunstenaar een groot deel van het jaar samen met zijn moeder, broer, paarden, honden, katten. Dit is zijn jachtterrein en speeltuin.

In zijn atelier – de kapel van het klooster – boent Zwanikken de skeletten schoon, trekt de laatste haren of veren eraf, en gaat dan aan de slag met elektronica en mechanica. Tandwielen draaien, skeelerwieltjes knarsen, hefbomen gaan omlaag en omhoog, er wordt gelast, draden verbonden, software wordt uitgetest. Als Victor Frankenstein in Mary Shelley’s gelijknamige griezelroman probeert Zwanikken dat wat allang de geest heeft gegeven opnieuw geest in te blazen. De vraag is: welke geest?

Op Zwanikkens eerste solotentoonstelling in Museum Het Valkhof in Nijmegen is goed te zien dat de kunstenaar er niet op uit is om monsters te scheppen. Zwanikken, die in 1994 de Rijksakademie afsloot, wil de wonderlijke schoonheid van computergestuurde techniek demonstreren door dieren of vervormingen daarvan tot ‘leven’ te wekken. Daarvoor haalt de kunstenaar tamelijk hoogdravende theorieën van stal over evolutieprocessen en de relatie tussen mens en dier, natuur en techniek.

Feit is dat alle dieren die Zwanikken in Het Valkhof een nieuw bestaan geeft prachtig zijn om te zien. Hun beweeglijkheid in messing, staal, veer en bot wekt steevast verbazing. De ingenieuze constructies zijn nieuwsgierig makend.

In Who let the dogs out, een redelijk vroeg werk uit 2001, zijn twee schedels van honden vastgekoppeld aan twee metalen frames die door middel van een computergestuurde mechaniek piepend heen en weer rollen op een twee houten spoorbaan. In Questionable Gods of Biomechanics (2007) zijn vijf vleermuisachtige maskers op een soort tentstokken gespietst: tongen schieten vruchteloos heen en weer, de taal die zij spreken is onverstaanbaar. Verderop sjouwt een mechanische ezel – in een duidelijke verwijzing naar Bruce Naumans Carousel – in een juk om een replica van een waterput heen.

Het mooiste, want meest geheimzinnige én lugubere werk, heet: Hoe een dode haas schilderijen verklaart (2010). Ook in dit werk ligt het kunsthistorische voorbeeld om de hoek. Waar Joseph Beuys in 1965 in een van zijn beroemdst geworden performances de schilderkunst uitlegde aan een dode haas, laat Zwanikken de haas zelf aan het woord. Deze mummelt en pruttelt aandoenlijk en meelijwekkend tegelijk. Zijn dode kop is gevat in een harnas van koper, metalen ogen steken reusachtig naar buiten.

Tientallen tot in de puntjes uitgewerkte installaties van 1999 tot nu zijn in Het Valkhof bij elkaar gebracht. Die verzameling werkt, ondanks de beweeglijkheid van de beelden, extreem statisch. Werktekeningen ontbreken. Experimenten lijken uit den boze. Alles is af – en daardoor ook een beetje doods. Het liefst had je de beelden in de natuur in werking gezien, waar ze ook zijn gevonden. De associatieve documentaire die wordt vertoond in de projectieruimte van het museum, heft dit gemis maar ten dele op.

De installaties op zichzelf zijn namelijk ook nog eens tamelijk letterlijk, eenduidig. De frappe – de geest die Zwanikken zijn beelden meegeeft – ligt snel voor de hand. De symboliek is overduidelijk. Als er iets is wat deze eerste solotentoonstelling duidelijk maakt, dan is het dat de techniek het artistieke proces niet mag over schaduwen.