In de ban van de bizons

Na het succesvolle Stoner is opnieuw een roman van John Williams vertaald Rode draad is een zoektocht naar geluk in de vorm van een kudde bizons Butcher’s Crossing is spannender dan Stoner

Illustratie Thinkstock

Medewerker Boeken

Niet elk jaar lees je een boek dat zo meeslepend is dat je er bijna in verdwijnt en alles om je heen vergeet. Butcher’s Crossing van John Williams is zo’n boek. Williams was tot nu toe bekend als de schrijver van het overrompelend succesvolle Stoner, maar hij schreef nog drie andere romans. Eén daarvan is Butcher’s Crossing, waarvan vandaag een Nederlandse vertaling verschijnt. En Stoner is goed, maar Butcher’s Crossing is beter.

Laten we eerlijk zijn, Stoner was een bestseller met gebreken. Het boek bevatte verbluffend krachtige passages, maar ook iets te expliciet verwoorde levenswijsheden die de roman een zweem van zelfgenoegzaamheid meegaven. Bovendien pakte het huwelijk tussen de negentiende-eeuwse vertelwijze en het twintigste-eeuwse verhaal niet altijd even goed uit.

Ook in Butcher’s Crossing maakt Williams gebruik van die ouderwets aandoende vertelwijze, maar hier stoort het minder, al was het maar omdat de roman zich daadwerkelijk in de negentiende eeuw afspeelt. En omdat het moralisme, dat ook in dit boek opduikt, van het nihilistische soort is, wekt Butcher’s Crossing in feite een modernere indruk dan Stoner. Zelfgenoegzaam wordt het nergens. Sterker nog, elke vorm van tevredenheid, waarmee de personages aanvankelijk nog blijken te zijn gezegend, wordt in de loop van het boek meedogenloos afgestraft.

Butcher’s Crossing speelt zich af in het ruige westen van de Verenigde Staten en verscheen oorspronkelijk in 1960, vijf jaar vóór Stoner. Williams laat zijn roman beginnen zoals het hoort in een western: op de eerste pagina’s arriveert met de postkoets een jonge vreemdeling in een kleine nederzetting middenin de oneindige prairies van Kansas, Butcher’s Crossing.

Queeste naar een mythische vallei

Die jongeman is Will Andrews. Hij is naar het westen gekomen om in het weidse landschap ‘zijn eigen verborgen natuur’ te vinden. Daar in het westen is de tijd van de grote bizonkuddes voorbij, de spoorweg rukt op. Maar bizonleer is nog steeds zeer gewild. Andrews komt in contact met Miller, een bizonjager die geobsedeerd is door een vallei in de uitlopers van de Rocky Mountains, waar duizenden bizons zouden rondlopen. De naïeve Andrews besluit een expeditie naar die mythische vallei te financieren, op voorwaarde dat hij ook zelf mee mag.

Je krijgt meteen de indruk dat dit niet goed gaat aflopen. En inderdaad, de tocht is lang en moeizaam. Maar die magische vallei blijkt wel degelijk te bestaan, en wordt inderdaad bevolkt door duizenden bizons. Maar dan begint de ellende pas. Overvloed leidt tot hebzucht, de elementen slaan ongenadig toe en Andrews komt erachter dat dromen van mystieke eenwording met de natuur heel iets anders is dan een daadwerkelijke confrontatie ermee.

Het is duidelijk: Butcher’s Crossing is een variant op de klassieke queeste, of die nu gaat om een ring die in een vulkaan moet worden gegooid of bizonhuiden die voor grote rijkdom moeten zorgen. Het is Moby-Dick in het Wilde Westen, waarbij de rol van de witte walvis wordt gespeeld door vijfduizend wilde bizons.

Het verhaal is spannend en meeslepend, maar dat is toch niet de voornaamste reden waarom deze roman je zo in zijn ban weet te houden. Dat is vooral door de manier waarop Williams zijn verhaal vertelt: net als in Stoner met een tergende traagheid die, wanneer je je eraan overgeeft, een grote spanning oproept.

Williams laat je het tragische avontuur van dichtbij meemaken door alles uitgebreid te beschrijven. Als je Butcher’s Crossing uit hebt, weet je precies hoe je een bizon moet schieten en hoe je hem vervolgens van zijn huid moet ontdoen.

In het boek werken die uitgebreide instructies heel goed. Omdat we meereizen met de jonge, onwetende Andrews, wordt alle uitleg functioneel. Die ziet alles tenslotte voor het eerst: het urenlange paardrijden, het slapen onder de blote hemel, de stank van rottend bizonvlees, de dorst... Hij fungeert als schakel tussen verhaal en lezer, die óók alles uitgelegd moet krijgen.

Als de lezer eenmaal op die manier het verhaal is ingetrokken, moet je hem niet meer loslaten, en dat gaat Williams uitstekend af. Nadat hij je met zijn beschrijvingen heeft meegezogen ben je klaar voor het hoogtepunt: de ontberingen van Andrews en zijn reisgenoten wanneer ze worden overvallen door de eerste sneeuw.

De manier waarop de bizonjagers door de natuur worden belaagd en ingesloten, zorgt voor claustrofobische scènes, waar je het zelf ijskoud van krijgt. Met name in deze passages bevat Williams proza een samengebalde kracht die je dwingt tot doorlezen, tot het laatste debacle in het voorjaar aan toe. Williams gaat niet voor het grote, emotionele effect, eerder is hij de minutieuze notulist van naderend onheil. Waarbij moet worden aangetekend dat de Nederlandse vertaling stroef is (‘Al sprekende, herlaadde hij zijn geweer’, ‘Toen ze traag vorderend […] op een grote vlakte waren aangekomen’), en niet altijd overtuigend. Williams’ proza is sterk genoeg om ook door deze vertaling heen te stralen, maar wie het Engels voldoende machtig is, moet de oorspronkelijke versie lezen.

Tijdloos, in plaats van ouderwets

Wie vernieuwing van literaire thema’s en vormen wil, heeft in Butcher’s Crossing weinig te zoeken. Maar je zou kunnen aanvoeren dat juist het gebrek aan originaliteit deze roman zo sterk maakt. Het klassieke, bijna mythologische gegeven van die vier mannen, ploeterend op weg naar de schat, vraagt om een schrijver die zich in dienst van dat verhaal wil stellen. Williams doet dat met verve en het resultaat is een boek dat tijdloos is in plaats van ouderwets.

Ook de westernclichés storen nauwelijks, juist omdat Williams ze toepast zonder ironie of dubbele bodems. Hij deinst er zelfs niet voor terug om het spreekwoordelijke hoertje met het gouden hart op te voeren. Dat gaat ver, deze Francine is het minst overtuigende personage. Ze dient om de ontwikkeling van de jonge Andrews te illustreren. Voor zijn expeditie is hij de onschuldige jongeman die alleen met aangeleerd medelijden kan reageren op een meisje dat haar leven vergooit; terug in Butcher’s Crossing is dat minzame moralisme verdwenen.

Want na de ontberingen van de bizonvallei keert het reisgezelschap (of wat daarvan nog over is) wel degelijk terug in Butcher’s Crossing, zij het veel later dan gepland. Daar volgt een laatste klap voor de bizonjagers: de wereld is veranderd en zij zijn relicten uit het verleden geworden. Andrews staat met lege handen. Hij is verslagen door zijn eigen naïeve verwachtingen en de leugens waarmee hij is opgevoed.

En dan versterkt Williams de tragiek van zijn verhaal nog eens door op de valreep een spectaculaire vernietigingsscène in te lassen. Dat is er misschien net één te veel, maar deze kritiek op het einde van de roman kan ook worden opgevat als lof voor de verpletterende kracht van alles wat aan dat einde voorafgaat.