Het onderzoek We zijn minder druk, behalve zij die al druk waren

verslaggever

Het is officieel: we hebben het minder druk. De Nederlander besteedt voor het eerst in ruim drie decennia minder tijd aan zijn verplichtingen: werken, huishouden, opleidingen volgen en voor de kinderen zorgen. De gemiddelde Nederlander vanaf 12 jaar was daar in 2011 41,2 uur per week mee kwijt, anderhalf uur minder dan in 2006.

Dat is een heuse trendbreuk. Sinds het Sociaal en Cultureel Planbureau in 1975 begon met onderzoek naar tijdsbesteding, groeide de zogeheten verplichte tijd juist altijd. Vooral omdat er steeds meer gewerkt werd. Met name de vrouwen: zij gingen in deze periode massaal, zij het parttime, aan het werk. Maar die groei is nu dus gestagneerd, blijkt uit het SCP-rapport Met het oog op de tijd. In 2011 werkt de Nederlander vanaf 12 jaar gemiddeld 19,6 uur per week, dat was in 2006 19,3 uur per week. De stagnatie zou te wijten kunnen zijn aan het economisch laagtij van de laatste jaren, zegt hoofdonderzoeker Mariëlle Cloïn. „Maar we zien minder terug van de economische crisis dan we van tevoren hadden verwacht.”

Als er niet minder gewerkt wordt, hoe is de afname van de verplichte tijd dan te verklaren? Daar is een eenduidig antwoord op: het huishouden. Besteedden Nederlanders vanaf 12 jaar daar in 2006 gemiddeld wekelijks 20,3 uur aan, in 2011 is dat nog 17,9 uur.

Toch heeft niet iedereen het minder druk gekregen. Sterker nog: wie het al druk had – met een voltijdbaan en/of de zorg voor jonge kinderen – is meer uren gaan werken. Omdat ouders met jonge kinderen meer dan gemiddeld terugsnoeiden in het huishouden, is de verplichte tijd voor hen per saldo gelijk gebleven. Dat geldt niet voor de voltijdwerkers: zij hebben in 2011 ruim 2 uur meer verplichtingen dan in 2006, die ten koste ging van hun vrije tijd.

Ter verduidelijking: het SCP onderscheidt drie soorten tijd waarin de 168 uur van de week wordt onderverdeeld: de genoemde verplichte tijd (41,2 uur), de persoonlijke tijd (slapen, eten, douchen, enzovoort; gemiddeld 77,7 uur per week) en de vrije tijd (mediagebruik, sport, maatschappelijke participatie; 47,8 uur – dat het niet optelt tot 168 uur ligt aan tijd voor ongespecificeerde bezigheden en het meedoen aan het onderzoek zelf, aldus het SCP).

Het onderzoek naar tijdsbesteding dient om de samenleving een spiegel voor te houden, stelt het SCP in dit rapport. Bijvoorbeeld om de invloed te zien van ontwikkelingen als individualisering, emancipatie en digitalisering. En ook om te zien of overheidsbeleid doorwerkt in de manier waarop we onze tijd besteden.

Voor het ritme van de dag geldt in ieder geval dat dat vrijwel niet verandert. Noch de algemene trend van individualisering, noch overheidsbeleid dat gericht is op flexibiliteit van arbeidstijden – ‘het nieuwe werken’ – hebben geleid tot veranderingen in tijdstippen waarop we werken, eten en slapen. Er mogen op iedere straathoek winkels zijn die tot ver in de avond open zijn: de gemiddelde Nederlander luncht om 12.30 uur, en zit om zes uur aan tafel voor het avondeten. En om elf uur ligt 90 procent van de Nederlanders in bed. Ook het werken gebeurt vooral tussen negen en vijf; het aandeel mensen dat ’s avonds (weer) werkt is nauwelijks toegenomen tussen 2006 en 2011. „We willen vrijheid, maar gedragen ons er niet naar”, zegt Cloïn. „We willen in de pas lopen met andere gezinsleden, en met collega’s.”

Dat we het gemiddeld minder druk hebben, betekent overigens niet dat het ook minder druk voelt. In 2011 voelt 40 procent van de mensen zich gemiddeld twee dagen per week ‘opgejaagd’. Vrouwen hebben er meer last van: een verschil van ruim 10 procentpunten. Opvallend is dat mensen die meer verplichtingen hebben, of veel taken combineren niet vaker zeggen tijdsdruk te voelen. Wel vinden deze drukbezette mensen dat ze niet genoeg vrije tijd hebben. Ze missen dus wel de luxe van recreatie, maar hebben er niet zoveel last van.