Het is levensgevaarlijk een jongen te zijn in Syrië

Rapport documenteert de dood van 11.420 kinderen in de Syrische burgeroorlog

Een kind met knuffel in een belegerde wijk van de stad Homs. Jongens zijn vaker slachtoffer omdat ze vaker buiten zijn. Foto Reuters

Talal (15) stierf op het moment dat hij zijn handen waste na het melken van de koe. Een kogel van een sluipschutter raakte hem in zijn hoofd.

Khaled speelde in een veld bij zijn huis, toen twee mortieren ontploften tussen een groep rondrennende kinderen. Khaled en een vriendje werden geraakt. Ze werden naar het ziekenhuis gebracht, dat later werd gebombardeerd. Voor Khaled kwam de hulp te laat.

Khaled en Talal zijn twee van de 11.420 kinderen die tussen maart 2011 en augustus 2013 gedood zijn in de Syrische burgeroorlog. Ruwweg tien procent van de 113.735 Syrische oorlogsdoden zijn kinderen, blijkt uit het rapport Stolen Futures, the hidden toll of child casualties in Syria, waarin alleen gedocumenteerde slachtoffers zijn meegeteld.

Kinderen werden vermoord door scherpschutters, kwamen om bij mortieraanvallen en bombardementen en stierven in 112 gevallen na te zijn gevangen gezet en gemarteld. Ze kwamen niet alleen om in de beruchte steden, maar in heel Syrië; van het zuidelijke Deraa tot het noordelijke Aleppo, waar in de maand februari 2013 zeker 300 kinderen omkwamen. Tussen augustus 2012 en april 2013 stierven in heel Syrië meer dan 600 kinderen per maand. In augustus 2012 ging het zelfs om meer dan 900 kinderen.

Burgerdoden

Het rapport is gemaakt door dezelfde organisatie die in 2003 het Iraq Bodycount project begon. Met het nauwkeurig vastleggen en tellen van alle burgerdoden – waar vaak met schattingen wordt volstaan – wil de organisatie laten zien wat de tol van oorlog is en wil ze het geweld terugdringen. De database voor Irak wordt nog steeds bijgehouden, de teller staat na tien jaar op 126.115.

„Door internet en mobiele telefoons is het vastleggen van slachtoffers en getuigenissen makkelijker geworden”, zegt Hamit Dardagan van het Oxford Research Centre, initiatiefnemer van beide projecten. „Burgers zijn zich ook veel meer bewust van het belang hiervan.” Beide onoverzichtelijke conflicten, uitgevochten tussen burgers, eisen veel slachtoffers. „Tegen de 10 procent zijn kinderen.”

Met het programma EveryCasualty helpt het onderzoekscentrum burgerrechtenorganisaties die in en buiten Syrië werken met het documenteren van slachtoffers. Volkomen accuratesse is een illusie in de mist van de oorlog, schrijven de onderzoekers. Maar de cijfers geven volgens hen een redelijk beeld.

Dardagan en zijn co-auteur vergeleken de verschillende databases en leggen ze naast lijsten van de VN. Ze halen de doublures en de naamloze doden eruit. De Syrische regering heeft sinds 2012 geen gegevens meer verstrekt aan de VN en sommige door het leger gedomineerde gebieden zijn te gevaarlijk voor vrijwilligers om op zoek te gaan naar gevoelige informatie. Toch is het rapport volgens Dardagan niet bevooroordeeld. „Voor elke dode leveren we bewijzen. Er is niet statistisch geëxtrapoleerd. Natuurlijk is enig voorbehoud op zijn plaats. Maar waarschijnlijk zijn de cijfers alleen te laag.”

Het rapport laat zien hoe de oorlog slachtoffers maakt. Veruit de meeste kinderen van wie de doodsoorzaak werd vastgelegd, 71 procent, stierven door explosies of bij bombardementen. Vooral jonge kinderen treft dit lot, jongens en meisjes in min of meer gelijke mate. Ruim een kwart van de kinderen stierf door kogels. Het rapport acht 764 gevallen van executie en 389 gevallen van moord door een sluipschutter bewezen.

Jongens tussen de 13 en de 17 lopen het meeste gevaar. Zij komen eerder om door gericht vuur dan door explosies, terwijl dat bij meisjes andersom is. Onder de 339 moorden door een sluipschutter waarbij de leeftijd van de slachtoffers werd vastgesteld, waren 158 jongens uit deze leeftijdsgroep. Ook in 89 van de 112 martelingszaken ging het om jongens tussen de 13 en de 17. „Jongens lopen buitenproportioneel gevaar”, zegt Dardagan. „Als ik in Syrië een baby had en een zoon van dertien, zou ik mij om deze laatste veel meer zorgen maken.”

Bakker

Jongens zijn vaker slachtoffer omdat ze vaker buiten zijn. Zij staan in de rij bij de bakker en doen andere klusjes buitenshuis als er geen vader is. Zij worden aangezien voor strijders of eenvoudigweg vermoord omdat ze strijder kunnen worden. Dardagan waagt zich niet aan speculatie over de vraag of jongens ook strijders zíjn, dus ingezet worden als uitkijkpost of koerier. „Jongens lopen risico omdat ze in de buurt zijn van hun vaders en ooms. Op beelden uit Syrië zie je altijd jongens op straat. Ons rapport toont hoe en hoe vaak ze worden gedood. Maar we houden ons verre van de vraag waaróm kinderen worden gedood.”

Ook over de reden dat kinderen zijn gemarteld, in één geval zelfs op de leeftijd van nog geen twee jaar, wil Dardagan niet speculeren. „Wat we weten is dat kinderen gevangen genomen zijn en dat hun lichamen later zijn teruggevonden, met sporen van geweld. Of dit gedaan is om de kinderen zelf of om hun ouders te treffen, moet nader onderzocht worden.”

Eigenlijk heeft alleen de dood van de 128 kinderen die in augustus bij de gifgasaanval omkwamen internationale aandacht gekregen, zegt Dardagan. „Maar de gifgasaanval was een uitzondering, net als de gevallen van marteling. De dood van al die andere kinderen verdient net zo goed de aandacht.”