Een Jodin die niet springt in de Arena

Regisseur probeert in documentaire te achterhalen waarom Ajax-fans de geuzennaam Superjoden gebruiken.

Het is een natte woensdagavond, september 1994. Het Olympisch Stadion in Amsterdam is helemaal uitverkocht – de Arena was nog niet gebouwd. Het jonge Ajax van coach Louis van Gaal speelt in de groepsfase van de Champions League tegen het onverslaanbaar geachte AC Milan, mét vedette Ruud Gullit. Rode fakkels bij opkomst, doorweekt veld, perfecte sfeer voor een avondwedstrijd. Ajax imponeert en wint met 2-0, door doelpunten van Ronald de Boer en Jari Litmanen. Het publiek zingt massaal We Are the Champions. „Als je van Milan wint, is dat onbeschrijfelijk”, zegt De Boer na het duel tegen de NOS.

Die avond belandt de 21-jarige Israëlische studente Nirit Peled nietsvermoedend in tram 24, die vol zit met uitgelaten Ajax-supporters. Ze is opgegroeid in een stadje bij Tel Aviv, en woont net een week in Amsterdam. In de tram stinkt het naar zweet en bier, er zijn veel skinheads, mensen springen en zwaaien met de Israëlische vlag. Ze ziet fans met een Davidster-tatoeage op hun arm. ‘Jooooden! Jooooden!’ wordt er geschreeuwd. Opeens klinkt er Hava Nagila, een oud, klassiek Israëlische lied. Ze kennen alleen de eerste paar woorden. En de supporters noemen zich ‘Superjoden’.

Peled zit achterin de tram en is verbijsterd. „Ik kon zien dat ze niet Joods waren.” Ze voelt zich bang en geïntimideerd, en stapt bij de volgende halte uit. Ze blijft met veel vragen achter. „Waarom ‘leenden’ ze mijn identiteit? Wat deden ze met mijn vlag en mijn Davidster? Waarom zongen ze mijn liedjes? Wat hebben deze Superjoden met mij te maken?”

Peled was juist net vertrokken uit Israël om zich los te maken van haar achtergrond – weg van het nationalisme, het Jodendom, de eeuwige oorlogsdiscussies. Ze was activistisch en bezocht vaak vredesdemonstraties. Peled was het politieke klimaat in Israël beu, en hoopte in Nederland rustig te kunnen studeren, ze was net begonnen aan de Rietveld Academie.

Peled: „Ik ben weggegaan uit Israël voor nationalisten die met een vlag rondrennen op een plein, en nu eindigde ik in Amsterdam met een stel hooligans met een Israëlische vlag in een tram. Terwijl ik in Nederland wilde leren hoe ik bloemen en wolken kon schilderen.”

Het ongemakkelijke tramritje van negentien jaar geleden heeft nu tot een documentaire geleid. Zondag ging op het IDFA in Amsterdam de film Superjews in première. De documentaire gaat over de vraag waarom Ajax-supporters zich de geuzennaam ‘Superjoden’ hebben toegeëigend. En over de zoektocht van regisseur Peled (nu 40) naar haar eigen identiteit – waarom Ajax-fans zich meer Joods lijken te voelen dan zijzelf.

Ajax is van oorsprong geen Joodse club, maar heeft wel altijd een Joods imago gehad. Zo waren er in het verleden een aantal Joodse voorzitters en spelers. En voor de Tweede Wereldoorlog had de club veel aanhang onder Joden die in Amsterdam woonden. ‘Ajax Jodenclub’ begon pas echt serieuze vormen aan te nemen toen supporters van andere clubs Ajax-fans voor Joden uitscholden. Sinds begin jaren tachtig gingen Ajax-supporters het zelf gebruiken.

Iconisch is een foto uit 1983: tussen het publiek hangt een doek met de tekst ‘Joden worden kampioen’, met daaronder de Israëlische vlag. Het is waarschijnlijk de eerste foto waar Ajax-fans zich zo openlijk identificeren met Joden. Het werd stap voor stap mainstream. „Ze maakten van iets ‘slechts’ een trots”, vertelt Peled in haar studio in Amsterdam. „Je begint je ook Joods te voelen als iemand je zo blijft noemen.” Tegenwoordig klinkt tijdens de wedstrijden van Ajax massaal ‘Jooooden!’. Peled: „Als je in de Arena bent, doe je mee.”

Peled bezocht de afgelopen twee jaar bijna alle thuisduels van Ajax. Zij voelt weinig bij de geuzennaam. Ze schreeuwt niet mee, en ze houdt haar voeten op de grond als wordt gezongen ‘En wie niet springt die is geen Jood’.

Aandoenlijk is het interview met mevrouw Visser, een Joodse die de Holocaust overleefde maar haar hele familie verloor. In de oorlog mocht ze niet naar het Ajax-stadion, omdat ze Joods was. Ze is daarna altijd fan gebleven en bezocht ze wedstrijden. Het doet haar pijn als er ‘Joden’ wordt geroepen in het stadion. „Verschrikkelijk. Het doet me denken aan wat er in de oorlog is gebeurd”, zegt ze in de film.

Peled wil niet veroordelen, of praten in goed of slecht. Ze begrijpt de ‘Ajax-Joden’. „We willen allemaal een identiteit, we kiezen iets, en verdedigen het. Ik ben jaloers, zij verdedigen hun identiteit zo hard. Terwijl ik niets heb om loyaal over te zijn, ik heb alles verbroken, toen ik jong was heb ik zelfs de Israëlische vlag verbrand.”

Peled is inmiddels Ajax-supporter. Ze heeft een seizoenskaart in VAK410, waar de meest fanatieke fans zitten. Wie had dat september 1994 op een late woensdagavond in tram 24 kunnen bedenken.