Columnist

Als mij gevraagd werd naar mijn favoriete columnisten, noemde ik hem zelden. Meestal moest ik achteraf met spijt bedenken: weer Gerrit Krol vergeten. Dat kwam vooral doordat hij niet als columnist bekendstond. Hij was in de eerste plaats romanschrijver, essayist, dichter; die columns deed hij erbij als het hem verzocht werd.

Hij schreef ze in de perioden 1980-1981 en 1995-1998 voor NRC Handelsblad en van 1994 tot 2004 voor het Nieuws-/Dagblad van het Noorden. De columns uit deze perioden zijn gebundeld in de boekjes Bijna voorjaar en Een perfecte dag en in de kloeke bundel Laatst met een vrouw, de meest representatieve columnbundel uit zijn oeuvre. Ook aanbevelenswaardig is de autobiografische roman De oudste jongen, opgebouwd uit thematisch (zijn jeugd) met elkaar verbonden columnachtige stukken.

Krol schreef zijn columns zoals hij zijn romans schreef: nuchter, flegmatiek, efficiënt en met goed gedoseerde humor. Hij heeft eens uitgerekend dat hij ongeveer duizend columns had geschreven; driehonderd daarvan verdienden een langer leven dan een eendagsvlieg, vond hij.

Op de achterflap van Laatst met een vrouw schrijft hij: „Vroeger voerde ik, als de meeste columnisten, een strenge toon, gedirigeerd door de logica. Tegenwoordig ben ik milder. Dat geeft de lezer meer ruimte. Ik denk daarbij wel ’s aan Adriaan Morriën, die zei: een goede column heeft voor mij de charme van sommige insecten, die een stuk verder springen dan hun eigen lengte. Zulke columns hebben iets filosofisch zonder het gelijk van de Waarheid en iets poëtisch zonder de arrogantie van de Schoonheid. Een goede column is een scherf van het dagelijkse bestaan.”

Die scherven gingen vaak over zijn dagelijkse bestaan; hij schreef vrijwel nooit over de dagelijkse actualiteit. Hij kon uitweiden over zijn jeugd, een danspartijtje („Dansen, vreselijk”) met zijn vrouw, het strikken van veters, de vijver in zijn tuin, een dagje op Texel, de mond-op-mondkus.

Of over W.F. Hermans, met wie hij jarenlang stadgenoot in Groningen was zonder hem te ontmoeten: „Nooit ’s bij hem aangebeld. Een literair vriendje van me deed dat wel en heeft tien minuten met Hermans staan praten, op de stoep. Ik vond dat dapper van mijn vriendje, en van Hermans had ik nooit gedacht dat hij zomaar met je kon praten. Hij boorde je niet de grond in, op de stoep. Dat deed hij pas als er voldoende publiek was.”

Ook al schreef hij in zijn columns veel over zichzelf, toch zou ik hem eerder een trotse dan een ijdele schrijver willen noemen; daarvoor hield hij te veel van zelfspot. „Ik ben ermee opgegroeid”, schreef hij over zelfspot. „Als je iets stoms doet, erken dan dat je stom geweest bent. Zoek de oorzaak maar bij jezelf, want dan kun je er iets aan doen.”

Spot, ironie, grappen in het algemeen vormden voor hem ‘het zout des levens’. Toen hij in 2001 de P.C. Hooftprijs had gewonnen, beschreef hij in een column hoe hij ’s avonds drie keer naar het NOS Journaal had gekeken om te zien hoe ze het nieuws, inclusief het interview met hem, brachten. „Die ouwe koolraap, rechts in het beeld, dat is ’m. En hij zegt nog verstandige dingen ook. En om half twaalf nog ’s weer. Verrukkelijk. Sacha de Boer is een schoonheid. Vooral wanneer ze het over mij heeft.”

Nu de ouwe koolraap geveld is, wordt het tijd voor één dikke prachtbundel met zijn columns – om van al die andere herdrukken nog maar te zwijgen.