‘Bijna de helft van zwangeren drinkt’ ‘Vooral hoogopgeleide zwangeren drinken’

◯ Waar ◯ Onwaar

Illustratie Martien ter Veen

De aanleiding

Nog steeds drinken heel veel zwangeren alcohol in Nederland. Daarom luidden de tien grootste verslavingsinstellingen ‘de noodklok’, meldde het Algemeen Dagblad afgelopen woensdag. Want alcohol, in welke mate ook, schaadt de ongeboren baby. De cijfers die worden genoemd zijn hoog: bijna de helft van de Nederlandse vrouwen in verwachting drinkt weleens alcohol. En, opmerkelijk, vooral hoogopgeleiden gaan door met drinken: 33 procent tegen 7 procent laagopgeleiden.

De directe aanleiding van het bericht is een expositie en de presentatie van een boek over kinderen met het zogenaamde Foetaal Alcohol Syndroom van het FAS-project in de Melkweg in Amsterdam, diezelfde woensdag. Het FAS-project werkt samen met diverse verslavingsinstellingen.

We checken twee beweringen. Klopt het dat bijna de helft van de Nederlandse vrouwen drinkt tijdens de zwangerschap? En lopen vooral hoogopgeleiden risico? We checken niet of matig alcoholgebruik slecht is voor het ongeboren kind. Er is maar één echt veilige optie: geen alcohol drinken. Maar feit is ook dat onderzoeken naar matig alcoholgebruik geen eenduidig beeld over de negatieve effecten laten zien.

En, klopt het, van die helft?

Eerst even over taalverschuiving. Persdienst Novum, die een bericht rondstuurt op basis van het stuk in het AD, schrijft dat „de helft van de Nederlandse vrouwen alcohol drinkt tijdens de zwangerschap”. Dat is wat stelliger dan het AD, dat schrijft dat „bijna de helft” van de zwangere vrouwen „wel eens alcohol drinkt”. En dat is weer meer dan „35 tot 50 procent van de vrouwen”, zoals verslavingsinstelling GGZ Bouman, één van de noodklokluiders, zelf op haar site schrijft. Er is een flink verschil tussen ‘blijven drinken’ en ‘weleens’ drinken.

GGZ Bouman en alcoholpreventie-organisatie STAP verwijzen allebei naar cijfers van de Gezondheidsraad uit 2005 over alcohol en zwangerschap. Er zijn weinig gegevens bekend, staat in het rapport. Eigenlijk maar twee studies: één uit 1978 onder 2.901 vrouwen en één uit 1987 onder 142 vrouwen.

Een noot vooraf: alle onderzoeken zijn zelf-rapportages. Vraag is of dat de cijfers niet vertekent. In de studie uit 1978 geeft 52 procent aan alcohol te drinken, „ongeacht de hoeveelheid”. Dat kan dus één glas in de maand zijn of elke dag een glas. Het percentage in 1987 is al een stuk lager: 35 procent. De Gezondheidsraad wijst zelf op de afnemende trend.

STAP en GGZ Bouman sturen ook recentere studies toe. Een artikel uit 2005, van de nu opgeheven gezondheidsorganisatie NIGZ, verwijst naar de ABCD-studie uit 2003 en 2004 onder ruim 8.000 zwangeren in Amsterdam. Uit de eerste resultaten bleek dat 20 procent van de vrouwen in de afgelopen week alcohol had genuttigd. Een latere studie uit 2013, uit het vakblad BMC Pregnancy and Childbirth, verwijst naar dezelfde ABCD-studie. Het gaat over het effect van alcohol op geboortegewicht en vroeggeboortes (geen effect). Toen bleek dat 36,2 procent „niet dagelijks” alcohol dronk. 5,6 procent dronk wel dagelijks alcohol.

Nog drie percentages. Eén komt uit een studie uit 2010 in het International Journal of Epidemiology onder 7.333 Rotterdamse zwangeren naar alcoholgebruik en groei van het ongeboren kind (geen effect). 37 procent van de vrouwen bleef drinken nadat ze zwanger werden, meldt de studie. Het ging om matig alcoholgebruik: de overgrote meerderheid dronk drie of minder glazen alcohol per week.

Twee: een klein onderzoek van STAP zelf onder 101 zwangeren. 46 procent gaf aan „weleens” gedronken te hebben, 32 procent zei „niet gestopt” te zijn. Van de vrouwen die dronken zei circa 90 procent dat het om nul tot twee glazen per week ging.

En drie: een studie in PLOS One noemt een percentage drinkers van 28,6 procent in het eerste trimester.

En klopt het van de hoogopgeleiden?

Naar opleidingsniveau en drankgebruik is minder onderzoek gedaan. In de ABCD-studie is wel gevraagd naar opleidingsniveau. Wat bleek: 32,5 procent van de hoogopgeleide zwangeren had de afgelopen week wel eens alcohol gebruikt, tegenover 6,5 procent van de laagopgeleiden (die weer vaker rookten). Het onderzoek in het International Journal of Epidemiology meldt ook dat hoogopgeleiden het vaakst blijven drinken, maar noemt geen percentages. En in een studie uit 2010 naar 556 Nederlandse zwangeren in Pharmacoepidemiology and Drug Safety werd vastgesteld dat 34 procent dronk, tegenover 12 procent van de laagopgeleiden.

Conclusies

Dat „de helft” of „bijna de helft” van de vrouwen blijft drinken, is aan de hoge kant. Het enige onderzoek dat op dat percentage komt, is uit 1978. Het onderzoek van STAP zelf, dat op 46 procent komt die „weleens” gedronken heeft, is erg klein. Bovendien is onduidelijk wat „weleens” betekent, dat kan ook één glas in het halve jaar zijn. Eenderde is een realistischere schatting, met als opmerking dat het in het overgrote deel om matig drankgebruik gaat. We beoordelen deze stelling als onwaar.

En twee, de hoogopgeleiden? Daarvoor zijn minder onderzoeken beschikbaar. Degene die er zijn, wijzen er inderdaad op dat veel meer hoogopgeleide vrouwen blijven drinken, het overgrote deel met mate. We boordelen deze stelling daarom als waar.