We zijn gastvrij genoeg geweest

Jordanië nam een half miljoen Syriërs op Het Jordaanse onthaal wordt nu wel steeds koeler

foto ap

correspondent israël

De mythe wil dat een Jordaanse bedoeïen elke vreemdeling drie dagen onderdak aanbiedt, zonder te vragen wie de vreemde is of wat hij komt doen. Jordanië gaat prat op zijn traditie van gastvrijheid. Niet ten onrechte: het land heeft sinds de oorlog in Syrië in 2011 begon ruim een half miljoen vluchtelingen opgenomen.

Het Jordaanse onthaal wordt echter steeds koeler. „De drie dagen zijn voorbij”, zegt Hammad. Leunend tegen zijn gammele pick-uptruck slaat de bedoeïen gade hoe de Syrische vluchtelingen rondzwermen in de Noord-Jordaanse stad Mafraq. Het aantal inwoners is hier verdubbeld. „Alsof een ander land naar je land komt”, moppert Hammad. „Ik snap wel dat de Syriërs het moeilijk hebben. Maar ze moeten nu weer terug.”

De grote angst van de bedoeïenen is dat de Syriërs lang in Jordanië moeten blijven. Net als de Palestijnen, die sinds de stichting van Israël in 1948 hierheen zijn gevlucht. Met hun nakomelingen vormen deze Palestijnen nu meer dan de helft van de Jordaanse bevolking (van 6,5 miljoen).

Koning Abdullah II zei eerder deze maand dat hij „maatregelen kan nemen om de belangen van onze mensen te beschermen”. Dit was vooreerst een dreigement aan de internationale gemeenschap: als jullie niet meer betalen, gooi ik de grens dicht. Maar ook een poging om de bedoeïenen, zijn in toenemende mate morrende machtsbasis, te kalmeren.

De Syrische vluchtelingen zorgen voor stijgende voedselprijzen. Schoolklassen in Jordanië tellen niet meer dertig, maar zestig of zeventig leerlingen. De medische posten zitten bomvol gewonde Syriërs. Jordanië heeft nauwelijks grondstoffen of water, en is geen welvarend land. Donaties van de Verenigde Staten en de Golfstaten dekken de tekorten maar ten dele. Jordanië heeft zijn eigen kosten voor de vluchtelingenopvang dit jaar geraamd op ruim een miljard euro. De belastingen stijgen navenant.

Ze prostitueren zich

Die economische problemen veroorzaken steeds meer sociale spanningen. Zeiden Jordaniërs twee jaar geleden nog meelevend dat Syriërs Arabische broeders en arme medemoslims zijn, nu zeggen ze zonder gêne dat Syriërs liegen, zeuren en bedelen. Het zijn uitvreters, met enge ziekten. Ze pikken Jordaanse baantjes in. Steeds luider klinkt ook dat ze andere normen en waarden hebben.

Zo fulmineert oud-minister Mohammad Abu Hammour in zijn kantoor in Amman: „Syrische vrouwen hebben slechte manieren. Ze prostitueren zich. Jordaniërs zullen daar gebruik van maken. Ze rekken onze moraal op.” Woest is hij, zegt Abu Hammour, omdat de VS willen dat Jordanië staatsburgerschap verleent aan Syriërs die niet terug kunnen. Bovendien dwingen de VS Jordanië om Palestijnse vluchtelingen uit Syrië toe te laten. „Hoe kunnen pure Jordaniërs dit land straks nog claimen?”

Hier raakt de oud-minister een gevoelig punt. De oorspronkelijke bedoeïenenbevolking, die hij ‘pure Jordaniërs’ noemt, accepteerde dat de Palestijnse vluchtelingen vanaf 1948 staatsburgerschap kregen, maar behield politiek overwicht en een monopolie op overheidsbanen. De bedoeïenen zijn altijd bang hun greep en privileges te verliezen.

De ‘Palestijnse Jordaniërs’ vrezen op hun beurt dat de bedoeïenen zich tegen hen keren en ze hun rechten kwijtraken. Vergeleken met de Palestijnen in Syrië en Libanon hebben ze het goed. Desalniettemin voelen ze zich tweederangsburgers. En ze zijn ‘Zwarte September’, toen de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO in 1970 met geweld uit Jordanië werd gegooid, niet vergeten. Er vielen duizenden doden.

Syriërs: een goede zondebok

Publieke discussie over identiteit, demografie en gelijke behandeling is echter taboe: impliciet verboden door de koning. Hij vreest voor de stabiliteit van het land, en zijn eigen positie. Maar de spanningen tussen de twee grootste bevolkingsgroepen van Jordanië nemen door de komst van de Syrische vluchtelingen toe. Tot gewelddadige confrontaties leidde dit op heden niet. De Syriërs zijn een goede zondebok.

De nieuwe vluchtelingen vormen ook het mikpunt voor Palestijnen in Jordanië, met name voor de 400.000 Palestijnen die nog in kampen van de VN leven. Het grootste kamp, met ruim 100.000 Palestijnen, is Baqa’a, nabij Amman. Het trekt nu veel Syrische vluchtelingen, omdat de prijzen er lager zijn dan in Amman of het noorden. En het is er beter toeven dan in de Syrische vluchtelingenkampen. Maar Baqa’a blijft een bende, met gaten in de muren en modder in de straten.

De Palestijnse Umm Firas (42) heeft het niet zo heel slecht. Haar huis zit van binnen strak in de mintgroene verf. Haar zoons hebben banen in Amman. Bovendien krijgt ze hulp van de VN. Toch jammert ze onophoudelijk over de ongenode gasten. „De vrouwen komen huilend aan de deur, met een vrome gezichtssluier, zodat ik ze wel wat móét geven.” Volgens Umm Firas overdrijven de Syriërs hun lijden en klagen ze te veel. En erger: ze zouden de hulp opsnoepen die voor de Palestijnen is bestemd.

De ogen van Leila Khatib, een dertigjarige Syrische en moeder van vier, springen wijdopen als ze hoort dat Palestijnen in het kamp Syriërs betichten van het stelen van hulp. „Leugens! We krijgen niets! In acht maanden hebben we één doos met eten en wat voedselbonnen ontvangen.” Khatib hoopte op compassie van de Palestijnen, die immers ook uit hun thuisland zijn verjaagd. Het valt Khatib bitter tegen. „We worden op straat bespot. Mijn zoon durft niet meer buiten te spelen omdat hij wordt gepest.” Ze wilde dat ze hier nooit naartoe gekomen was.