We hebben een school voor uw kind, 30 km verderop

De prijs voor passend onderwijs is hoog. De vrijheid van schoolkeuze neemt af, en de rechtsongelijkheid toe.

Op het eerst gezicht betekent ‘passend onderwijs’ louter vooruitgang. Paradepaardje van deze ingrijpende onderwijshervorming, die volgend schooljaar wordt ingevoerd, is de ‘zorgplicht’: scholen moeten straks elke leerling een geschikte onderwijsplek bieden. Een leerling die extra ondersteuning nodig heeft botweg weigeren, kan niet meer.

„Ouders hoeven hierdoor niet meer te leuren met kind, hun rechtszekerheid neemt toe”, zegt Jan Gispen, voorzitter van de Evaluatie- en adviescommissie passend onderwijs (ecpo), die ministerie, parlement en onderwijs bijstaat.

Daar betalen ouders volgens Gispen wel een hoge prijs voor. „Hun zeggenschap over alles wat er na de aanmelding gebeurt, wordt kleiner.” De macht van schoolbesturen, verenigd in regionale samenwerkingsverbanden, wordt groter. „Zo’n samenwerkingsverband kan straks tegen ouders zeggen: er is maar één school geschikt voor uw kind, en die staat dertig kilometer verderop.”

Zorgplicht betekent dat de school waar een kind zich aanmeldt, moet zorgen voor een onderwijsplek. Die hoeft niet op de school van voorkeur van de ouders te zijn. Alle scholen hebben straks hun eigen ‘zorgprofiel’ en kunnen ervoor kiezen zich te specialiseren in een aandoening, zoals ADHD of autisme. Past een leerling niet in dit profiel, dan kan een school een alternatief voor hem zoeken.

Het is maar de vraag of dit mag, zegt Domenica Ghidei, lid van het College voor de Rechten van de Mens. „Scholen mogen leerlingen niet weigeren op gronden als: wij zijn niet gespecialiseerd in ADHD. Of: wij nemen maar drie leerlingen met autisme per klas aan. Dat zou in strijd zijn met de Wet gelijke behandeling gehandicapten en chronisch zieken, en die blijft gewoon van kracht.”

Elke leerling is uniek, benadrukt Ghidei, ook als hij of zij een aandoening heeft. „Het ene kind met ADHD functioneert bijvoorbeeld niet goed in een klas, het andere juist wel. Een zorgprofiel is prima, maar dat ontslaat je als school niet van de plicht per leerling te onderzoeken welke aanpassingen je kan doen. Alleen als die een onevenredige belasting betekenen, kan een leerling worden geweigerd.”

Samenwerkingsverbanden, waarin ook besturen zitten van speciale scholen (voor bijvoorbeeld kinderen met leer- en gedragsproblemen), gaan bepalen welke leerlingen zijn aangewezen op het speciale onderwijs. Nu neemt een onafhankelijke Commissie voor Indicatiestelling deze ingrijpende beslissing nog, op basis van landelijke, objectieve criteria. Bovendien moeten de ouders instemmen met plaatsing op een speciale school. Straks heeft het schoolbestuur hierover het laatste woord.

Binnenkort verdwijnen de Commissies voor Indicatiestelling en gaan de samenwerkingsverbanden zelf – op basis van eigen, regionale criteria – ‘toelaatbaarheidsverklaringen’ afgeven voor het speciale onderwijs. Volgens het ministerie moet minimaal één van de drie deskundigen die deze verklaringen gaan opstellen orthopedagoog zijn.

Wilma Lozowski, beleidsmedewerker bij het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), vindt het „zorgwekkend” dat er straks – anders dan nu – geen aanvullende eisen worden gesteld aan de psychologen en orthopedagogen die gaan beslissen welk kind thuishoort op een speciale school. „In Nederland mag iedereen zich orthopedagoog of psycholoog noemen, dat zijn geen beschermde titels”, zegt Lozowski.

Om goed in te kunnen schatten welke school het meest geschikt is voor de ontwikkeling van een kind, is een postdoctorale beroepsopleiding volgens haar een absolute vereiste. „Dan kom je ook in aanmerking voor beroepsregistratie, val je onder het tuchtrecht en ben je gebonden aan belangrijke beroepsethische normen, bijvoorbeeld dat ouders altijd toestemming moeten geven voor onderzoek en advisering.”

De leerlinggebonden financiering, beter bekend als het ‘rugzakje’, maakt volgend schooljaar plaats voor het zogeheten ‘ontwikkelingsperspectief’. Dat is een document waarin staat welke hulp een reguliere school biedt aan leerlingen met, bijvoorbeeld, ADHD of autisme. In het speciale onderwijs hebben alle leerlingen al zo’n ‘OPP’.

Uit recent onderzoek in opdracht van de ecpo onder speciale en reguliere scholen die al een tijdje met het ontwikkelingsperspectief werken, blijkt veel onduidelijkheid over het document. „Scholen weten vaak niet precies wat er in moet staan, en voor reguliere scholen geldt dat niet altijd duidelijk is voor welke leerlingen het is bedoeld”, zegt Gispen. „Dat laatste kan per samenwerkingsverband verschillen.”

Belangrijk onderdeel van het ontwikkelingsperspectief is het ‘uitstroomprofiel’. Hierin staat welk eindniveau een leerling naar verwachting zal behalen. Normaal gesproken kijkt een basisschool hier pas in groep 7 naar, maar vanaf volgend jaar moet dit niveau worden vastgesteld zodra een leerling in aanmerking komt voor extra ondersteuning. „Dat kan dus al op 4-jarige leeftijd zijn. En dan valt er nog heel weinig te voorspellen”, zegt Gispen. In het onderzoeksrapport vallen zelfs de woorden ‘koffiedik kijken’.

Scholen kunnen het uitstroomprofiel, waarvoor instemming van ouders niet nodig is, oneigenlijk gebruiken, waarschuwt Gispen. „De ene school kan besluiten alles aan ondersteuning uit de kast te halen om een leerling zo hoog mogelijk te laten eindigen, terwijl de andere denkt: ik zet gewoon wat lager in.”

Die laatste optie kan volgens Gispen aantrekkelijk zijn, omdat scholen worden afgerekend op prestaties van leerlingen. En de onderwijsinspectie houdt niet van ‘afstromers’, leerlingen die op een lager niveau eindigen dan verwacht. Gispen: „De inspectie telt ze. Als je er te veel hebt, is dat ongunstig voor de beoordeling van je school. Het kan veiliger zijn om bij twijfel over het niveau van een leerling niet te hoog in te zetten.”

Of passend onderwijs vooruitgang betekent, hangt af van waar je woont. De rechtsongelijkheid tussen regio’s zal onvermijdelijk toenemen. „De zorgplicht staat vast, maar de manier waarop een regionaal samenwerkingsverband hier vorm aan geeft niet”, zegt Gispen. „Het is hierdoor goed denkbaar dat een leerling met een beperking in de ene regio heel goed wordt opgevangen door het reguliere onderwijs, terwijl diezelfde leerling in een andere regio al gauw naar het speciale onderwijs zou worden verwezen.”