Waarom Iran de oliemarkt koud laat

Meeslepend was hij niet, de daling van de olieprijs vanochtend. Iran bereikte dit weekend met een groep van zes landen onder leiding van de Verenigde Staten overeenstemming over het beperken van zijn nucleaire programma. Door de sancties die het kreeg opgelegd kon het land de afgelopen jaren slechts 1 miljoen vaten olie per dag exporteren. In normale tijden zouden dat zo’n 2,5 miljoen vaten zijn. Een verwachte toename van tegen de 1,5 miljoen vaten per dag zou voor behoorlijk wat ophef zorgen op de wereldwijde oliemarkt, waar vraag en aanbod elkaar nauw volgen.

In plaats daarvan daalde de prijs van Brent-olie vanochtend slechts van 110,50 dollar naar 108,15 dollar, maar begon in de loop van de ochtend weer op te veren naar 109 dollar. Dat heeft uiteraard te maken met het voorlopige karakter van het akkoord, maar ook met de slecht onderhouden olie-industrie van Iran. Zelfs als alle sancties zouden worden opgeheven zou het land volgens de Scandinavische bank Nordea de export met zo’n 300.000 vaten kunnen opschroeven. Dan heeft Iran de grenzen al bereikt. Dat is mager voor het land dat de op drie na grootste oliereserves ter wereld in de bodem heeft.

Maar los daarvan: wie kijkt naar alle ontwikkelingen op de wereldwijde oliemarkt kan niet anders dan concluderen dat de prijzen al drie jaar lang wonderlijk stabiel zijn. Irak voert zijn productie op. Winning van ‘onconventionele’ olie door met name de VS (schalie) en voorheen lastig winbare olie door landen als Brazilië (diepwater) beheersen op dit moment vaak de stemming in de markt. De vraag uit China groeide razendsnel maar maakt nu pas op de plaats. En al die tijd, sinds begin 2011, schommelt de prijs van olie tussen de 100 en 120 dollar, met een gemiddelde van rond de 110 dollar. Uiteraard is het verschil tussen Amerikaanse olie en Brent flink opgelopen, maar Brent, internationaal toch de belangrijkste referentiewaarde, geeft niet erg mee.

Op de oliemarkt is dan ook het idee ontstaan dat Saoedi-Arabië, de grootste en meest flexibele producent, weinig van zijn marktmacht heeft verloren. En het moet gezegd: de huidige olieprijs komt de Saoedi’s keurig uit.

Economische analyses van olieproducerende landen bevatten vrijwel altijd een schatting van de zogenoemde ‘break even’-prijs van olie. Dat is het prijspeil, mede bepaald door de kosten van de productie en de hoeveelheid export, waarbij zij genoeg verdienen om de overheidsfinanciën in balans te houden. Is olie te goedkoop, dan dreigen schulden, bezuinigingen en sociale onrust. Is hij te duur, dan kan de zaak beter in de grond worden gehouden, in afwachting van later. Het Internationaal Energie Agenschap (IEA) stelde vorige maand nog dat tot het midden van de jaren twintig van deze eeuw de oliemarkt nog wordt opgeschud door de onconventionele en lastige olie, maar dat het Midden-Oosten daarna zijn oude machtsrol weer terugkrijgt.

De jongste schatting van de Arab Petroleum Investments Corporation (APIC) stelt de Saoedische break even op gemiddeld 100 dollar. Dat is keurig in lijn met de huidige prijs, met een veiligheidsmarge van een dollar of tien. Dat is ook de break even voor de Verenigde Arabische Emiraten. Voor Qatar, Koeweit en Angola ligt het peil zelfs lager dan nu. Maar Irak heeft een break even die, met 120 dollar, hoger is dan de prijs van nu. Helemaal bovenaan staat overigens Iran, met 145 dollar. Conclusie: de Saoedi’s zijn precies waar ze willen, en streven dat ook actief en succesvol na.

Mooi bedacht en plausibel. Maar kijk wel uit met theorieën over de grondstoffenmarkt. Ze gaan – kijk alleen maar naar goud – vaak ook te water tot ze zinken.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.