Mag je het ene kind crematieas geven en het andere niet?

Kun je de weduwe van je hertrouwde vader via de rechter dwingen om een deel van diens as af te staan voor een herinneringsmedaillon?

De Zaak Een nabestaande wil een medaillon laten maken met daarin wat van de as die overbleef na de crematie van haar vader. De nieuwe echtgenote van haar vader weigert echter. Met als motief dat haar man zou hebben gezegd dat deze dochter „niets van hem mocht krijgen” na zijn dood. Andere kinderen, waaronder ook stiefkinderen, kregen van de nieuwe partner wel crematie-as voor een medaillon.

Wat zegt de wet? De dochter baseert haar eis op artikel 162 Burgerlijk Wetboek over de onrechtmatige daad. Het handelen in strijd met een wettelijke plicht of ‘met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’. In art. 18 van de Wet op de Lijkbezorging aan staat namelijk dat er zoveel mogelijk moet worden gehandeld overeenkomstig de (vermoedelijke) wens van de overledene.

Hoe onderbouwt zij de eis? De weduwe handelde onzorgvuldig door aan de andere kinderen wel en haar geen as af te staan. Zij kan het overlijden daardoor niet of minder goed verwerken, wat emotionele schade oplevert. Haar verhouding met haar vader was bovendien bij zijn overlijden wél goed. Althans, de vader zou nooit hebben gezegd dat zij geen aanspraak op een deel van zijn as mocht hebben. Dus was het zijn vermoedelijke wens om dat juist wel mogelijk te maken. De weduwe moet maar bewijzen dat het anders was.

Hoe verweert de weduwe zich? Eerst met een juridisch punt. Een eis uit ‘onrechtmatige daad’ kan alleen tot schadevergoeding leiden, niet tot ‘afgifte’ van ‘enig goed’. De dochter heeft verder onvoldoende onderbouwd dat haar handelwijze onrechtmatig was. En: de dochter moet bewijzen dat haar vader haar wél goedgezind was en dus ook aan haar een deel van zijn as wilde afstaan.

Hoe oordeelt de rechter? Die vraagt zich eerst af óf er een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm bestaat over de omgang met de as door de weduwe. En of die dan is geschonden. Die norm is in ieder geval niet door de dochter geformuleerd. En dat het ene kind wel en het andere kind geen as krijgt, is niet uit zichzelf onzorgvuldig.

Is er dan gehandeld in strijd met een wettelijke plicht? Namelijk met die van art. 18 uit de wet op de Lijkbezorging, waarin staat dat alles zoveel mogelijk in overeenstemming met de (vermoedelijke) wens van de overledene plaats moet vinden. Aangezien de dochter vindt dat die plicht is geschonden moet zij dat ook bewijzen. En dat is niet gebeurd. Alleen maar stellen dat haar vader haar goedgezind was, is niet voldoende. Er was dus geen onrechtmatige daad – de weduwe is niet verplicht crematie-as af te staan, „hoezeer de vorderingen van [de dochter] ook begrijpelijk zijn”.