Joris Smit is weergaloos als ‘Titus’ bij NTJong

‘Ik sta op het dak van de school en ik ga springen.’

De woorden uit de draagbare cassetterecorder klinken vastberaden. De blonde jongen die het gammele apparaat tegen zich aandrukt, oogt een stuk minder vastberaden. In een glimmend rode sportbroek, zwarte cowboylaarzen, gebreide trui en behangen met gadgets ziet hij er zelfs ronduit idioot en ongeloofwaardig uit. Maar dat verdwijnt terstond als hij begint te praten.

Acteur Joris Smit speelt Titus, een monoloog van de Vlaamse schrijver en acteur Jan Sobrie, en dat doet hij verpletterend. Hij is innemend, terughoudend, fel, onzeker, kortom een puber als alle anderen. In de veertig minuten die de voorstelling duurt, ga je een beetje houden van de suïcidale slagerszoon Titus, die niet vernoemd blijkt naar Shakespeares wraaklustige generaal Titus Andronicus, maar naar het lievelingsvarken van zijn vader. Titus moet van zijn psycholoog aan ‘een helicopterke’ denken als hij zich wil afsluiten voor zijn vreselijke klasgenoten. Hij worstelt met de dood van zijn moeder, met zijn sullige vader en met zijn gevoelens voor Tina met haar katholieke moeder. Hij hoopt dat er een vis uit de lucht zal vallen en schrijft alles op de muur van zijn slaapkamer. En hij staat op het dak van de school.

Waarom regisseur Casper Vandeputte zijn acteur als belangrijkste rekwisiet een compleet gedateerde cassetterecorder geeft is het enige raadsel in deze ontroerende en ontwapenende voorstelling. Dat roept zo nadrukkelijk de jaren tachtig en negentig op, dat het stoort. Sobries rijkgeschakeerde tekst en Smits vlot geschakelde spel zijn namelijk tijdloos.

Brechtje Zwaneveld