Spoors alliantie met communisten en islamisten verergerde de burgeroorlog in Indonesië

De Nederlandse generaal Simon Spoor smeedde eind jaren 40 een coalitie van communistische en islamitische bendes om de troepen van Soekarno te bevechten. Dat blijkt uit een tot nu toe geheim gebleven nota, schrijft Fredrik Willems.

Links: Generaal Spoor, februari 1948. Rechts: Politionele actie in Zuid-Sumatra, juli 1947

Generaal Simon Spoor was tot zijn plotselinge dood in 1949 de commandant van het Nederlandse leger in de Indonesische archipel. Spoor was geliefd: tot de dag van vandaag spreken veteranen met bewondering over hun generaal. Ook in de biografie Generaal Spoor. Triomf en tragiek van een legercommandant krijgt hij lof toebedeeld. Militair historicus Jaap de Moor schrijft dat Spoor weliswaar de grens opzocht in zijn pogingen om de politieke besluitvorming naar zijn hand te zetten, maar dat hij bovenal een toegewijde militair was, die zich inzette voor de belangen van zijn vaderland. Door de toenemende verliezen, die zijn troepen in de guerrillaoorlog met de Republiek leden, zag Spoor zich in 1948 echter genoodzaakt die grens niet alleen op te zoeken, maar ook ruimschoots te overschrijden.

Het startschot voor de onafhankelijkheidsstrijd wordt gegeven op 17 augustus 1945 als Soekarno en Mohammed Hatta de onafhankelijke Republiek Indonesië uitroepen. De Nederlandse regering erkent de nieuwe republiek niet, maar beseft dat de onafhankelijkheid van Indonesië op den duur onvermijdelijk is. Het idee dat Soekarno daarin een hoofdrol gaat spelen, stuit echter op veel verzet. Voor velen is de voorman van de nationalisten een collaborateur van de Japanse vijand. Maar waar Spoor wil vechten, kiest de Nederlandse regering voor onderhandelingen – zeer tegen de zin van de legercommandant.

Als de situatie in Indië verslechtert, krijgt Spoor alsnog toestemming om gewapend in actie te komen. Tienduizenden soldaten van de Koninklijke Landmacht (KL), het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger (KNIL) en de Koninklijke Marine (KM) trekken ten strijde tegen het leger van de Republiek, de Tentara Nasional Indonesia (TNI). Onder grote internationale druk worden de twee politionele acties echter beëindigd zonder een beslissende doorbraak. Een bloedige guerrillaoorlog volgt. Het leger lijdt vrijwel dagelijks verliezen in een strijd die niet te winnen valt.

Wanneer de Nederlandse regering in februari 1949 opnieuw wil onderhandelen, zijn de militaire successen volgens Spoor in één klap teniet gedaan. Hij komt echter alleen te staan in zijn beoordeling. Hij blijft verkondigen dat het leger het verzet kan breken, als het kabinet de Republiek maar politiek dood verklaart. Dat kan en wil de regering echter niet vanwege de relatie met de Verenigde Staten. Zij besluit op 7 mei 1949 de Van Roijen-Roem-overeenkomst te ondertekenen. Het akkoord – het begin van de erkenning van de Republiek – is een grote klap voor de legercommandant, die zich er fel tegen heeft verzet. Amper tweeënhalve week later komt hij volkomen onverwachts te overlijden.

In de weken voor zijn dood maakt Spoor op zijn omgeving een gedesillusioneerde indruk. Volgens De Moor verliest hij zelfs het contact met de werkelijkheid. De legercommandant schrijft dat de krijgskansen nog te keren zijn. Drie dagen voor zijn dood wijst hij in zijn laatste rapport op de interne tegenstellingen in het Indonesische kamp. Op West-Java is begin 1949 een strijd losgebarsten tussen de TNI en communistische en islamitische strijdgroepen. Dit zou Nederland nog een kans op de overwinning bieden. De Moor is van mening dat de conclusie van Spoor voor het Nederlandse beleid nog „amper relevant” is, maar is dit werkelijk zo?

‘Zeer geheim’ staat er met pen geschreven boven de nota van het Bureau Algemene Zaken van de Directie Beleidszaken Indonesië. Ook de anonieme opsteller waarschuwt ervoor dat het stuk niet voor derden is bestemd: „De nota komt naar het voorkomt niet in aanmerking voor verspreiding.” Wanneer Mr. Jan Rookmaaker in 1952 wordt benoemd als chef van deze directie binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken, is de verhouding met de voormalige kolonie op een dieptepunt. Door de Indonesische pers wordt een felle anti-Nederlandse campagne gevoerd.

In de commentaren krijgt Nederland de schuld van de snel verslechterende veiligheidssituatie in het land. Er woedt een bloedige burgeroorlog tussen de islamitische verzetsbeweging Darul Islam en het bewind van Soekarno. Het Republikeinse leger is in het defensief gedrongen. Grote delen van West-Java staan onder controle van de Darul Islam. Volgens de Indonesische pers steunt de Nederlandse regering in het geheim deze beweging om zijn verloren gegane macht te herstellen.

Rookmaker besluit naar aanleiding van de berichtgeving in 1952 te laten onderzoeken in hoeverre Nederland verantwoordelijk is voor de ordeverstoringen. De Indonesische beschuldigingen worden in de tien pagina’s tellende nota, die het onderzoek heeft opgeleverd, van de hand gewezen. Er zouden zich slechts een handvol Nederlandse „avonturiers” bij de Darul Islam hebben aangesloten. Toch is Rookmaker allerminst gerust met de uitkomst van het onderzoek.

Uit de nota blijkt dat generaal Spoor vanaf 1948 in het diepste geheim de Darul Islam en communisten van de Bambu Runcing van wapens en financiën heeft voorzien. Bij het schrijven van zijn laatste rapporten had Spoor dus niet de realiteit uit het oog verloren, zoals De Moor meent, maar liet hij een glimp zien van de schemerwereld van geheime operaties, die hij eigenhandig had gecreëerd. Rookmaaker besluit de raad van de opsteller van de nota op te volgen en laat het stuk in een diepe la verdwijnen. Sinds 1952 ligt het te verstoffen, eerst in het archief van zijn ministerie, daarna bij het Nationaal Archief. Het relaas van de nota wordt bevestigd door rapporten van de Nederlandse militaire inlichtingendienst en de Militaire Politie, en door verklaringen van voormalige medewerkers van de eigen ‘afweerorganisatie’ die Spoor eind 1948 opricht.

Generaal Spoor is de jongste legercommandant die Nederland ooit heeft gekend. Hij werd op 12 januari 1902 in Amsterdam geboren. Zijn vader is violist en hoewel Spoor in zijn jeugd ook verdienstelijk viool speelt, kiest hij voor een militaire loopbaan. Hij vertrekt naar Nederlands-Indië om te dienen in het KNIL. Als de oorlog met Japan uitbreekt, wijkt hij uit naar Australië. In 1946 volgt de kroon op zijn carrière. Spoor krijgt ondanks zijn jeugdige leeftijd het bevel over de Nederlandse troepen in Nederlands-Indië.

Bij zijn terugkeer in Batavia treft Spoor een heel ander Indië aan. Het land is in de greep van een revolutie. Hij maakt zich echter weinig zorgen. In zijn optiek zijn de Republikeinen „rampokkers” en „roversbenden”, die hun eigen bevolking onderdrukken. Als zij worden uitgeschakeld, kiezen de Indonesiërs uit zichzelf weer voor Nederland, is zijn vaste overtuiging.

Spoor meent dat de TNI niet de capaciteit heeft om een echte guerrilla te voeren. Zijn woorden worden in 1948 gelogenstraft. De militaire toestand op West-Java is verslechterd. Het Nederlandse leger komt in de verdrukking en er vallen veel doden. Het Republikeinse leger is er bovendien niet de enige tegenstander. De Nederlanders vechten ook een strijd uit met de Bambu Runcing en de Darul Islam.

De Bambu Runcing is een losse coalitie van communistische strijdgroepen, die vecht voor een communistisch bewind in Indonesië. Afwisselend is zij vijand en bondgenoot van de Darul Islam. Deze islamitische verzetsbeweging wordt geleid door Sekarmadji Kartosoewirjo. Hij streeft naar een islamitische staat in Indonesië en is erin geslaagd om verschillende strijdgroepen te bundelen tot een leger, de Tentara Islam Indonesia (TII). Onder leiding van de geheimzinnige voorman, die zich niet in het openbaar laat zien, weet de Darul Islam met geweld zijn invloed op West-Java uit te breiden. Spoor eist hierop actie van generaal-majoor Henri Dürst Britt, de territoriaal commandant van West-Java.

Een nieuwe ronde van zuiveringsacties biedt geen uitkomst. De soldaten van Dürst Britt slagen er niet in om het verzet de kop in te drukken. De TNI weet samen met de Darul Islam en de Bambu Runcing zijn greep op de West-Javaanse samenleving zelfs te verstevigen. Honderden Indonesische dorpshoofden en ambtenaren, die met het Nederlandse gezag samenwerken, worden ontvoerd of vermoord.

Spoor ergert zich aan het in zijn ogen slappe optreden van Durst Britt en besluit een poging te wagen om de Darul Islam en de Bambu Runcing tegen de Republiek uit te spelen. Hij richt, zonder zijn eigen generale staf in te lichten, een geheime „afweerorganisatie” op. Spoor wil de vele bendes die op West-Java actief zijn overtuigen om af te zien van verder verzet tegen het Nederlandse gezag. Zij moeten hun aanvallen staken en vervolgens worden ingezet tegen de TNI. Als tegenprestatie zouden zij door het leger met rust worden gelaten en bovendien in hun strijd van geld en wapens worden voorzien. Een riskante onderneming, maar volgens de opsteller van de nota van de Directie Beleidszaken Indonesië had Spoor geen andere keus: „Dit was gezien de toenmaals nog heersende oorlogstoestand niet alleen geoorloofd, maar om onnodig bloedverliezen te voorkomen ook gewenst.”

Om zijn geheime beweging te leiden kiest Spoor Raymond Westerling uit. Deze commandant van de Speciale Troepen heeft de reputatie van een ‘harde jongen’. Westerling heeft in 1947 met steun van Spoor een bloedige opstand tegen het Nederlandse bestuur op Zuid-Celebes neergeslagen met honderden executies. Negatieve publiciteit rond zijn hardhandige optreden maakt zijn positie onhoudbaar en Spoor laat hem in oktober 1948 demobiliseren. Westerling vestigt zich met zijn gezin in Pacet. Om geen achterdocht te wekken, richt hij een transportonderneming op.

Westerling is bij uitstek voor zijn taak geschikt. Zijn faam als voormalig commandant van de Speciale Troepen roept onder de Indonesiërs angst en bewondering op. Hij weet, zo beschrijft de nota, resultaat te boeken. „In West-Java, buiten Darul Islam-gebied, slaagde de ex-Kapitein Westerling er in om de vijandige benden, ingezonderd de communistische Bambu Runtjings, aan te trekken.” Wat Westerling namens Spoor te bieden heeft, is aanlokkelijk voor de bendeleden. Ze krijgen toegang tot geld en wapens en hopen een rol van betekenis te kunnen blijven spelen in de toekomst.

Spoor is vastbesloten ook de Darul Islam voor zijn beweging te winnen. Hij trekt daarvoor Amir Fatah aan, de leider van een islamitische strijdgroep, die vooral in het westelijk deel van Midden-Java actief is. Ook Fatah staakt zijn strijd tegen het Nederlandse leger. Hij organiseert zijn aanhang in een eigen Darul Islam-beweging en bindt eind 1948 de strijd aan met de TNI. Fatah weet bovendien contact te leggen met de ongrijpbare Kartosoewirjo, die ook overstag gaat. De wapenleveranties aan de Darul Islam worden uitgebreid. „Zo ontwikkelde zich in het gehele Darul Islam-gebied een toestand waarbij het Nederlandse uniform en de Nederlandse Driekleur werd gerespecteerd”, merkt de opsteller van de nota tevreden op.

De coalitie is een groot succes. Voor de buitenwacht handhaven de Darul Islam en de Bambu Runcing hun anti-Nederlandse opstelling, maar in het geheim worden de acties van beide strijdgroepen door Westerling persoonlijk gecoördineerd. Begin 1949 moet de TNI op West-Java gevoelige verliezen incasseren. De druk op het Nederlandse leger neemt af. Kartosoewirjo weet met de steun van Spoor zijn invloed op West-Java sterk uit te breiden.

De afweerorganisatie raakt echter stuurloos als Spoor volkomen onverwacht op 25 mei 1949 overlijdt. Westerling zet de activiteiten op eigen verantwoordelijkheid voort. Hij wordt gesteund door het groepje Nederlandse officieren dat door Spoor in vertrouwen was genomen. Westerling organiseert verschillende bendes uit de afweerorganisatie in een eigen militie, het Leger van de Rechtvaardige Vorst, beter bekend onder de Maleise afkorting APRA.

Als op 27 december 1949 in Amsterdam de Akte van Soevereiniteitsoverdracht wordt getekend, is Westerling vastbesloten om te voorkomen dat Soekarno aan de macht komt. De imposante coalitie die hij heeft gesmeed, inclusief de Nederlandse officieren, lijkt een garantie voor succes. De staatsgreep gaat echter als een nachtkaars uit. Uit een rapport van de Militaire Politie blijkt dat veel officieren op het laatste moment afhaken als Westerling in januari 1950 een ultimatum aan de Republiek stuurt, waarin hij officiële erkenning van de APRA eist. Daarmee is het verrassingselement verdwenen en zij achten de actie kansloos. Vanwege gebrekkige communicatie over het moment van de staatsgreep kunnen de Bambu Runcing en de Darul Islam bovendien niet op tijd in actie komen.

Om de schade voor Nederland te beperken geeft premier Drees opdracht om Westerling uit Indonesië te halen. Uiteindelijk komt deze na vele omzwervingen in 1952 in Nederland aan, waar een gerechtelijk vooronderzoek tegen hem wordt ingesteld. Westerling geeft nooit openheid van zaken over de afweerorganisatie van Spoor. Hij voelt zich gebonden aan zijn officierseed. In zijn memoires spreekt hij slechts in vage bewoordingen over de rol van Spoor.

Ook Kartosoewirjo neemt zijn geheim het graf in. Na een burgeroorlog die tienduizenden Indonesiërs het leven kostte, wordt hij uiteindelijk gevangen genomen en in 1962 geëxecuteerd. In zijn verhoor, in het diepste geheim afgenomen, ontkent de leider van de Darul Islam ooit steun van Nederland te hebben ontvangen. De geheime oorlog van Spoor blijft geheim.

De nota van Directie Beleidszaken Indonesië geeft een unieke inkijk in de schemerwereld van geheime operaties, die Spoor eigenhandig had gecreëerd. Het beeld van Spoor moet op basis van de nieuwe feiten worden bijgesteld. De legercommandant heeft de grens van het toelaatbare ruimschoots overschreden. Hoewel Spoor dacht het Nederlands belang te dienen, rijst de vraag of dit werkelijk het geval is geweest.

Met zijn gelegenheidscoalitie lijkt Spoor een doos van Pandora te hebben geopend. De Nederlandse troepen op West-Java werden ontlast, maar zijn oplossing heeft meer problemen veroorzaakt dan opgelost. Door de hulp van de afweerorganisatie wisten de Darul Islam en de Bambu Runcing zich een goede uitgangspositie te verwerven voor de burgeroorlog, die uitbrak na de soevereiniteitsoverdracht. De bloedige strijd zou de Indonesische samenleving voor jaren ontwrichten en tienduizenden mensen het leven kosten. De financiering en bewapening van beide bewegingen heeft bijgedragen aan de verlenging en intensivering van de burgeroorlog.

Spoors besluit om Dirk Buurman van Vreeden, zijn stafchef en latere opvolger, in het ongewisse te laten over zijn organisatie, had ook gevolgen voor de staatsgreep tegen Soekarno, blijkt uit de nota: „Hier wreekte zich de geheimzinnigheid waarmede de Generaal zijn afweerorganisatie ook voor zijn hoogste militaire werknemers had verhuld. Zij had ten gevolge, dat zijn onvoldoende ingelichte opvolger eerst radicaal kon ingrijpen, nadat met het mislukken van de APRA-coup het aandeel deze Officieren niet langer geheim kon blijven.” Waarschijnlijk had Westerling nooit tot zijn actie kunnen overgaan als Spoor zijn stafchef niet had gepasseerd.

Ook het negatieve beeld van Westerling moet worden herzien. Militair historicus De Moor typeert hem als een „megalomane fantast”. Een oordeel dat niet alleen vernietigend, maar naar nu blijkt ook onjuist is. Westerling was een militair die loyaal was aan zijn legercommandant. Ook nadat hij het leger had verlaten.

Het verhaal van de ‘afweerorganisatie’ van Spoor illustreert bovenal de vage structuur van verantwoordelijkheden, die door de Nederlandse legerleiding in hun strijd tegen de Indonesische vijand werd gehanteerd. Deze structuur maakte het mogelijk om enerzijds ruimte te creëren voor militairen als Westerling en anderzijds de legerleiding de mogelijkheid te bieden om afstand te nemen als het leger werd gecompromitteerd.