Smurrie

Cristiano Ronaldo heeft veel goedgemaakt, maar toch legt voetbal het als sensatie af tegen wielrennen. De Portugese ster van Real Madrid excelleert zo buitenaards dat wij, dwergen van gebeente, hem nog nauwelijks durven te benaderen. Zijn museaal gebeitelde lichaam schrikt af. Die splijtende jukbeenderen, ogen als vuurtorens, dat lachje van de revolutie – mama mia.

Wielrenners hebben die lijfelijke overmacht niet. Hun enkeltjes zijn te dun, hun floddergehalte te hoog. Zij zijn nooit van de straat af, fietsen in weer en wind, kunnen niet eens de scheiding in het haar dresseren. Ook wel mooie mannen, maar anders dan Cristiano met zijn wreef vol sacramenten en transcenderende look.

Toch: ik zag Fabian Cancellara op televisie, en op slag was het zomer. De Zwitserse kampioen is niet vermarmerd zoals de Portugese voetballer, maar aan présence ontbreekt het niet. Ik hing aan zijn lippen, danste mee met ieder woord. In gedachten sloeg ik een arm om zijn schouders.

Bij Ronaldo kan dat niet.

Fabian was met zijn ploeg op stage in de Ardennen in de week dat het parcours van de Ronde van Vlaanderen werd voorgesteld. Deze keer met een moordende finale over kasseien, van helling naar helling. De Koppenberg als legendarische scherprechter.

Rondebeest Cancellara was zeer gecharmeerd.

Du moment dat de Ronde van Vlaanderen zijn geheimen prijsgeeft, voel ik de stille paniek van de winter wegrafelen. Al helemaal als tempobeul Cancellara nog eens zijn sportieve ziel opent. Opgevrolijkt door kranten ook die het weer prominent over wielrennen hebben.

Een plicht voor elke dag, winter en zomer.

Nog mooier: op provincie- en veldwegen, langs vaarten en plassen zag ik hoe trosjes renners gezellig aan het trainen waren. De nieuwe shirtjes waren uitgereikt. Een mozaïek van gekromde ruggen in kleurrijke tinten zoevend door het landschap.

Fiets en renner blinkend als boenwas.

Voor mij is dat geluk.

Van schrijvers en intellectuelen mag je geluk niet benoemen. Ze bekijken het maar: zelfs een stuurlint kan mij laten tapdansen.

Hadden we met zijn allen niet verdiend nog eens dopingvrij te kunnen dromen tot de eerste rit van Down Under? Helaas, de heer Armstrong besliste daar anders over. De Amerikaan verhevigde zijn vendetta met Hein Verbruggen door de gewezen UCI-voorzitter te beschuldigen van manipulatie bij dopingcontroles.

Hij, Lance Armstrong, kon het weten.

Oud-renners scherpten de verdachtmaking nog wat aan. Ook zij kwamen met stinkende verhalen over de manipulatieve duisternis van meneer Hein. Een president die geen weerwoord duldde. Die ooit dreigde de succesvolle Italiaanse Mapei-formatie te schrappen omdat directeur Giorgio Squinzi de dopingaanpak van de UCI voorzichtig in twijfel had getrokken.

Hein werd almaar overmoediger. Met uitspraken als: „Ik bepaal wie er positief is.” Of nog tegen oud-PDM-coureur Peter Stevenhaagen: „Jij hebt een probleem jongen. Renners als jij kan ik maken of breken.”

Kikkertaal van een dictator. Archaïsche Ivo Opstelten-cinema.

Dat Verbruggen talent voor almacht had, wisten we. Als omhooggevallen provinciaal uit een Brabants gehucht beroesde hij zich grenzeloos aan het wereldforum wielrennen.

Salonschuimer, hors categorie.

Inspraak kende hij niet, doordrongen als hij was van een liquidatiemoraal. En ja, er werd hem in zijn solistische hemelvaart weinig in de weg gelegd.

Het peloton is van origine gezagsgetrouw. Wielrenners zijn de nakomertjes van een democratie. Ze zijn bang van hun eigen stem, van zeepkistjes, van alleingang. Een karwatstype als Verbruggen maakte gretig misbruik van die genetische nederigheid.

Nu hij weg is van de macht en ook zijn lakeien er niet meer toe doen, wordt de rekening gepresenteerd.

IOC-erelid Hein Verbruggen zal in smurrie ten onder gaan.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.