Rauwe haatgevoelens krijgen vrij spel

De Centraal-Afrikaanse Republiek zit klem in een cyclus van moord en misdaad. Volgens Frankrijk dreigt er een genocide. Correspondent Koert Lindijer sprak er met soldaten, burgers en geestelijken.

Bij het conflict in de Centraal-Afrikaanse Republiek plegen milities sinds enkele maanden op grote schaal moorden. Boven: vluchtelingenkamp in Bossangoa.Rechts: huizen in brand gestoken door de Séléka. Foto’s AFP

Het is akelig stil in Zèré. Tot in het lege dorp met verbrande huizen het gehamer van een stuk ijzer op een autovelg de rust verscheurt. Het sein dat de kust veilig is. Het dorpshoofd had het team van Artsen zonder Grenzen (AzG) beloofd een kerkklok te zullen luiden, maar er is geen kerk meer. Uit het olifantsgras en het bos van dikke mangobomen verschijnen mensen. Eerst druppelsgewijs een paar, dan komen grote groepen. De baby’s, van wie de moeders angstvallig hun mondjes hebben gesnoerd, beginnen nu te krijsen. Mannen tikken hun voorhoofden tegen elkaar als begroeting. Enkelen van hen dragen machetes, speren of een antiek jachtgeweer. Na tien minuten klinkt een kakofonie van opgewonden stemmen.

Een oude man grijpt de arm van een verpleegkundige. „We verbergen ons hier in de omgeving en leven als beesten in de bush”, jammert hij. „We hebben geen kleren meer, geen zout, geen zeep, niets meer om te overleven. De soldaten plunderden al onze spullen. Onze kippen, geiten, ons graan.” Hij laat me Zèré zien. In de kliniek liggen naalden en pillen tussen het gruis. In de kerk zijn verkoolde balken op de kansel gevallen. Sommige inwoners werden verbrand in hun huizen toen strijders in de middag van 7 september het dorp in brand zetten. Bij de resten van een woning ligt een door varkens aangevreten lijk.

In de Centraal-Afrikaanse Republiek, in het hart van Afrika, plegen talrijke milities sinds enkele maanden op grote schaal moorden onder de bevolking. Het land van viereneenhalf miljoen inwoners zit gevangen in een cyclus van wraaknemingen en misdaden.

Plunderende strijdgroepen, roofbendes en buitenlandse huurlingen vechten om de eigendommen van de burgers en de controle over goud- en diamantmijnen. Religieus-ideologische motieven speelden nog nauwelijks een rol toen de strijd eerder dit jaar losbarstte, maar na enkele maanden van chaos tekent zich nu een scheidslijn af tussen christenen en moslims. De plunderaars trokken een kleine moslimminderheid – 15 procent van de bevolking – gaandeweg in hun kamp. De christenen antwoordden met zelfverdedigingsmilities en zijn, zeggen sommigen, er inmiddels op uit om de moslims uit te roeien.

Een klein en ineffectief leger van Afrikaanse vredessoldaten slaagt er niet in orde te scheppen. Tienduizenden burgers zijn inmiddels op de vlucht. Ze verbergen zich in de bush of zoeken veiligheid bij kerken.

Zowel priesters als imams ter plaatse waarschuwen dat er een genocide dreigt. Secretaris-generaal Ban Ki-Moon van de VN wil meer militairen in het gebied stationeren om het moorden te stoppen. Frankrijk waarschuwde voor een volkerenmoord.

Chronisch instabiel

De Centraal-Afrikaanse Republiek is altijd een chronisch instabiel land geweest, met meer staatsgrepen en muiterijen dan verkiezingen. Maar geweld op deze schaal hebben de bewoners nog nooit meegemaakt. De Fransen bestuurden hun aan goud, diamanten en uranium rijke kolonie als een onderneming. Deze versmelting van het staatsgezag en zakenbelangen schiep het precedent dat degene aan de macht een vrijbrief bezit om te profiteren van de ontginning van de grondstoffen.

Na de onafhankelijkheid in 1960 heersten Afrikaanse politici over een parasitaire staat vol armoede en misdaad. Met als tragische komedie de kroning tot keizer in 1976 van president Jean-Bédel Bokassa, een festijn dat meer kostte dan de nationale begroting van een jaar. De eerder dit jaar afgezette François Bozízé was tegelijk president van het land en grootste aandeelhouder van een diamantbedrijf. In de regering en aan het hoofd van staatsbedrijven benoemde hij familieleden, inclusief zijn maîtresses.

Meer dan een halve eeuw van slecht bestuur schiep een vruchtbare ondergrond voor talrijke gewapende roofgroepen. Toen islamitische huurlingen uit de buurlanden Tsjaad en Soedan gingen meedoen en samen met hun moslimbroeders in de Centraal-Afrikaanse Republiek de militaire alliantie Séléka vormden, kreeg het conflict een religieus karakter. Sinds dit voorjaar is Michel Djotodia, leider van Séléka, de sterke man in de republiek.

Verraden

De moslims van Zèré vertrokken aan de vooravond van de aanval door de Séléka. De dorpsoudste Pané Noumagbei raakt geagiteerd als hij zijn verhaal vertelt. „Wij christenen leefden altijd vreedzaam met moslims samen. Maar nu hebben ze ons verraden. Op de dag voor de aanval kwamen de soldaten van de Séléka hen ophalen en brachten hen met al hun eigendommen naar de stad Bossangao. Alle moslims zijn handlangers van de Séléka, ik wil ze hier nooit meer zien.”

In een klein ontheemdenkamp voor moslims in Bossangoa geeft Adidje Hassan een andere versie van de gebeurtenissen. Zij woonde in Zèré en beschuldigt de Anti Balaka, een militie van christenen. „Strijders van de Anti Balaka vielen een dorp in de buurt aan en sneden twee moslims in stukjes. De moslims in Zèré zouden hun volgende doelwit worden. Daarom haalden de Séléka-soldaten ons weg. Ik vertrouw de christenen niet meer. Ik wil nooit meer terug naar Zèré.”

De bevolking van de Centraal-Afrikaanse Republiek bestaat uit 85 procent christenen en aanhangers van traditionele godsdiensten, de rest is moslim. Ze leven gemengd maar in het noordoosten is vrijwel iedereen islamitisch, een geïsoleerd gebied zonder scholen, ziekenhuizen en wegen. De moslimbevolking voelt zich er meer verbonden met Soedan dan met de regering in de Centraal-Afrikaanse hoofdstad Bangui. „De bewoners zijn er gemarginaliseerd en ze willen een groter deel van de taart”, zegt een katholieke pater. „Nu hebben ze zich met hulp van hun geloofsbroeders uit Tsjaad en Soedan door middel van de Séléka de gehele taart toegeëigend.”

De Séléka (Alliantie in de Sanga taal) begon in die ruige streken van het noordoosten, waar buitenlandse en binnenlandse strijders en smokkelaars streden om de controle over de winningsgebieden van diamanten. Naarmate het bewind van president François Bozízé door interne ruzies fragmenteerde, gingen deze ruziënde groepen samenwerken. Ze vormden de Séléka onder leiding van Djotodia, een voormalige consul van de Centraal-Afrikaanse Republiek in de West-Soedanese stad Nyala. Séléka begon met 5.000 man, een strijdmacht die tijdens de opmars naar de hoofdstad Bangui aangroeide tot 25.000 soldaten door rekrutering van vrijgelaten gevangen, huurlingen, stropers, diamanthandelaren, honderden kindsoldaten en moslimfanaten. Slecht een klein percentage komt uit de Centraal-Afrikaanse Republiek zelf. „Ons land is bezet door buitenlanders”, klagen inwoners van Bangui, dat in maart in handen viel van de Séléka.

Tijdens haar opmars had de Séléka systematisch kerkgebouwen aangevallen. Christelijke burgers begonnen zich te verdedigen. Rauwe haatgevoelens kregen vrij spel. In september voerde de christelijke Anti Balaka een aanval uit op Bossangoa, gecontroleerd door de Séléka. De Séléka sloeg terug, vermoordde christenen en legde hun dorpen in as. Steeds vaker bestempelen christenen en moslims elkaar als „de anderen” en als „kakkerlakken”.

Noodtoestand

Na anderhalf uur heeft de verpleegkundige van AzG in Zèré kunnen vaststellen dat er sprake is van ernstige ondervoeding, met percentages die wijzen op een noodtoestand. Het team moet snel vertrekken. Sinds weken heeft hier uit vrees voor overvallen nauwelijks een auto gereden, behalve pick-ups van de Séléka. De inwoners verdwijnen weer in het hoge gras.

De zandweg terug naar Bossangoa voert langs tientallen verlaten dorpen. In het struikgewas zien we schimmen van Anti Balaka strijders. Zij overvallen vrachtwagens van moslimhandelaren en executeren de passagiers. Bij Bossangoa houden Séléka-soldaten de wacht bij een wegversperring. Ze zijn tegen het einde van de middag weggezakt in een gedrogeerde roes en laten ons ongehinderd passeren. Doorgaans moeten ze weinig hebben van hulpverleners die naar ‘rebellendorpen’ als Zèré gaan. Vorige maand martelden ze twee hulpverleners dood buiten Bossangoa „omdat ze kwamen spioneren”.

In Bossangoa luieren generaal Ya Ya en een groepje Séléka-strijders stoned in de schaduw van een boom. De stoelleuning van de generaal is behangen met kettingen met gris gris, een magisch middel om kogels op afstand te houden. „We vertellen dorpelingen niet te vluchten, maar zodra ze een auto zien gaan ze er van door”, zegt hij. „Ze zijn bang voor de rebellen.” Hij bedoelt de Anti Balaka. Ya Ya en zijn soldaten spreken alleen Arabisch, geen Frans of Sanga, de voertalen in de Centraal-Afrikaanse Republiek. Van zijn eenheid van 250 man zijn acht leden afkomstig uit de Centraal-Afrikaanse Republiek, de overigen komen uit Oost-Tsjaad en uit de West-Soedanese provincie Darfur. Volgens verscheidene bronnen komen ook hun wapens uit die buurlanden. Enkele gewonde Séléka-strijders werden behandeld in de Soedanese hoofdstad Khartoum.

Tegen de avond breekt de hemel open. Een geschenk uit de hel voor de 30.000 tot 40.000 ontheemde christenen die zich al weken in de open lucht ophouden bij de katholieke missiepost in Bossangoa. Hun simpele plastic onderkomens en de paar in allerhaast door hulporganisaties gebouwde latrines lopen onder. Sommigen van hen komen nog geen kilometer hier vandaan en durven uit angst voor de Séléka niet meer thuis te slapen. Een paar soldaten van Fomac, de Afrikaanse vredesmacht van 1.100 man, houden de Séléka-strijders van generaal Ya Ya buiten de missiepost. Verderop, in de Ecole de Liberté, schuilen een paar honderd moslims, bang om zich in de buurt van de katholieke kerk te begeven. Die avond klinken er schoten bij de rivier.

Florence Ganazoui en haar twee kinderen zijn net aangekomen in het ziekenhuis bij de missie. „Mijn dorp is hier 18 kilometer vandaan, maar we leven al maanden in de bush. Ik blijf in leven door traditioneel bier te brouwen. Om vier uur in de middag zat ik omringd door klanten toen strijders van de Séléka plots met een granaatwerper op ons begonnen te vuren. De meest dronken klanten stierven als eersten. Toen volgden er kogels en die raakten ook mijn kinderen.” Haar hand rust op het trillende lichaam van haar zoontje, bij wie zojuist een voet is afgezet.

Interreligieuze delegatie

De volgende ochtend tref ik pater Frederie Tonfio in sombere stemming tussen de ontheemden. Hij heeft zojuist bezoek gehad van een interreligieuze delegatie uit Bangui met onder anderen de imam Oumar Kobin. Kunnen de geestelijke leiders de hoog opgelopen spanningen bezweren? „Verzoening werkt niet meer”, antwoordt hij verhit, „de situatie wordt steeds explosiever. De Séléka heeft de moslims tegen ons opgezet. Maar wij christenen zijn talrijker. Ze kunnen ons nooit allemaal uitroeien.”

„Het is nog niet te laat”, meent iman Oumar. Beide geestelijken geloven dat de regering van de Séléka onder leiding van Michel Djotodia orde moet scheppen. Maar in Bangui wijst weinig er op dat iemand in de Centraal-Afrikaanse Republiek de teugels stevig in handen heeft.

Corine Nadia werkt voor een vrouwenorganisatie in Bangui. Ze vertelt dat het aantal gerapporteerde verkrachtingen met 35 procent is toegenomen sinds de Séléka Bangui binnentrok. Deze maand telde ze 50 gevallen van verkrachting. „Vanochtend meldde zich een vrouw van 75 jaar, verkracht door een Séléka strijder van 17 die Arabisch sprak. Ze willen de christenen en de stadsbewoners vernederen. Het is de wraak door de analfabeten uit de bush.”

Strijders van de Séléka zijn inmiddels ook onderling slaags geraakt en hun commandanten negeerden menigmaal bevelen van het staatshoofd. „Het staatsgezag is verdwenen”, stelt Frederic Nakombo van de katholieke mensenrechtenorganisatie Justice and Peace. „Kolonels en generaals van de Séléka controleren de goud- en diamantgebieden, vervoeren de grondstoffen naar Tsjaad en Soedan en steken de opbrengsten in eigen zak. De reactie van de Anti Balaka tegen de plundering van het land wordt steeds feller. Hun strijders zijn vastbesloten alle moslims te doden.”

Het dieptepunt is nog niet bereikt. Iedereen in het land maakt zich op voor meer geweld. En naarmate de religieuze fanaten meer greep krijgen op de bevolking kan het land een aantrekkelijke vrijplaats worden voor internationale moslimextremisten.

Advocaat en mensenrechtenactivist Bruno Hyacinthe Gbiegba vraagt om een spoedige buitenlandse interventie van de Verenigde Naties. „Zonder de hulp van buitenlandse huurlingen had de Séléka nooit Bangui kunnen veroveren”, zegt hij. „Het gaat de Séléka strijders louter om onze grondstoffen en daarvoor gaan ze over lijken. We hoeven niet op hen te rekenen voor onze veiligheid. Een wolf kan niet op schapen passen.”