Pérsoneel!

Psychologie

Ellen de Bruin Ooit hadden mensen ontzag voor agenten en voor de presentator van het NOS Journaal. Hoeveel ontzag is er nog over?

Zou de totale hoeveelheid ontzag in Nederland de laatste vijftig, zestig jaar zijn gedaald of gelijk zijn gebleven? Vroeger hadden mensen zelfs ontzag voor agenten in uniform of voor de presentator van het NOS Journaal. Nu hebben we dat niet meer, maar nu eist iedereen weer zijn eigen kleine beetje ontzag op – of respect, zoals het nu meestal heet.

Zouden al die kleine beetjes ontzag bij elkaar evenveel zijn als het grote ontzag van vroeger? Of halen we dat niveau nooit meer?

Die gedachte kwam op doordat de NRC-redactie tegenwoordig in een van de mooiste gebouwen van Amsterdam is gehuisvest – een architectuurfeest van glas, industrieel metaal en blank hout. Regelmatig worden er onder werktijd groepen architectuurliefhebbers rondgeleid die bewonderend om zich heen kijken. Zo’n groep stopt vaak op de overloop op de derde verdieping, want vanuit daar heb je het beste uitzicht op de plek waar op dat moment de voorpagina van NRC Handelsblad wordt gemaakt. De redacteuren van de derde verdieping moeten dan even wachten om naar wc, printer of koffieapparaat te kunnen.

En laatst drong ineens door dat zo’n moment het enige moment is dat ik ooit ben tegengekomen waarop deze redacteuren volledig graploos „pérsoneel!” zouden kunnen roepen. „Pérsoneel!” Wie zegt dat nog? Je hoort het nog weleens van mensen die zich met vijf biertjes in twee handen dooreen dansende mensenmassa worstelen, op zoek naar hun achtergelaten vrienden. Maar ooit moet er een tijd geweest zijn dat mensen het serieus riepen – en dat er dan naar hen werd geluisterd en beleefd opzijgegaan. Beleefd én met ontzag. Want hier was ‘personeel’, een klasse apart. ‘Personeel’ (van ziekenhuizen? magazijnen? supermarkten?) moet ooit, lokaal, op dezelfde ontzagwekkende hoogte hebben gestaan als de agent of de journaallezer landelijk.

Iets vergelijkbaars geldt trouwens voor omroepers in bijvoorbeeld warenhuizen en op stations. Ooit moeten die het toppunt van moderne techniek zijn geweest. Iemand zit ergens in een hokje te praten en het is door een heel gebouw hoorbaar! Maar met die omroepers is ook nog iets anders aan de hand. Ze praten raar. Ze hebben een soort geëxalteerde intonatie, ze zetten echt een stemmetje op. Als je onder werktijd een collega belt, en op de achtergrond hoor je ineens „bezoekers van de Bijenkorf...”, dan weet je meteen zeker dat je die collega betrapt hebt. Want op zo’n malle toon praat normaal helemaal niemand.

Eigenlijk klinken die omroepers alsof ze ontzag hebben voor de apparatuur die ze gebruiken: „Tjeempie, als ik hierin spreek bereikt het zó veel mensen tegelijk, ik val bijna flauw bij het idee, ik moet wel een beetje knap klinken.” Misschien hebben de eerste omroepers daardoor een bepaalde ‘omroepstem’ opgezet, en is die omroepstem bewaard gebleven. Daardoor praten mensen nu zo als ze iets omroepen, gewoon omdat je dat nu eenmaal zo doet. Het klinkt inmiddels totaal uit de tijd en even gemakkelijk te parodiëren als de kreet „pérsoneel!”

Zou dat eigenlijk vaker voorkomen, dat ontzag voor mensen of techniek bepaalt hoe we praten, en dat we daar parodiërende grappen over gaan maken zodra dat ontzag afbrokkelt? En is er nog wel genoeg ontzag over in de samenleving om dat nog een keer te laten gebeuren? Ik hoop het. Ik zet alvast in op Google Glass. Dat aanstellerige „OK Glass!” dat je dan hoort, van mensen vol ontzag voor hun eigen bril. Het is nu al makkelijk te parodiëren – en die bril is hier nog niet eens.