Meer eisen dan er op deze wereld te vinden is

Woensdag verschijnt De mislukkingskunstenaar, het eerste deel van de biografie van W.F. Hermans. De ruzies zijn al begonnen. Is Otterspeer in zijn missie geslaagd?

‘De wereld streeft naar harmonie tussen schuld en wraak’, denkt Arthur Muttah, de hoofdfiguur uit De tranen der acacia’s die volgens biograaf Willem Otterspeer huiveringwekkend tegen zijn schepper aanschuurt. Hoe onlosmakelijk wraak en weerwraak met Willem Frederik Hermans verbonden zijn, bleek de afgelopen dagen al. Nog vóór verschijning van De mislukkingskunstenaar – aangekondigd als deel één van een tweeluik – barstte de polemiek los waarbij verschillende Hermansliefhebbers elkaar en de biograaf de maat namen over fouten, concepten en bronnen. Het gebeurt allemaal met een wederzijdse agressie die weliswaar bij Hermans past, maar die de buitenstaander toch wat vermoeid achterlaat. En die eerder het resultaat lijkt van onhebbelijkheden uit het verleden dan van de 800 pagina’s die er nu liggen.

Hermans is nooit een schrijver geweest die het beste in zijn fans naar boven haalde: zijn meedogenloze wijze van polemiseren maakte dat de meest vasthoudende van zijn liefhebbers zich onderscheidden door een doorlopend verlangen om de grote schrijver te behagen en na zijn dood zijn belangen te behartigen in zijn niet altijd even toegeeflijke geest. Dat maakte de opdracht van Willem Otterspeer niet eenvoudiger. Hij moest een positie zoeken van waaruit hij onder de huid van de geniale schrijver kon kruipen zonder de spreekbuis te worden van de pathologische ruziezoeker.

Extra complicatie: het archief van Hermans gaat voor onderzoekers weer op slot als Otterspeer klaar is. Die wetenschap heeft, zo staat in de inleiding, geleid tot „een dikker boek dan aanvankelijk voorzien was”. Brieven worden „ook om zichzelf” geciteerd – wat trouwens geen straf is. Het maakt de biografie tot een schatkamer voor Hermansliefhebbers.

Afgewogen houding

In het vinden van een afgewogen houding ten opzichte van de persoon Hermans is Otterspeer knap geslaagd. In zijn inleiding haalt hij een brief van Hermans aan waarin deze uitlegt „dat mijn kinderachtigheid, vooral bestaat uit een begeerte naar het ‘alles’, in vergelijking waarmee het ‘bijna alles’ waardeloos wordt.” En: „Ik eis meer dan er op deze wereld te vinden is.” Met zulke eisen is de mislukking onafwendbaar, vandaar: De mislukkingskunstenaar. Otterspeer gebruikt de mislukking, het falen, zo als centraal thema van zijn boek. Dat doet hij met overtuiging, daarbij dankbaar gebruikmakend van de omstandigheid dat ‘mislukking’ een breed begrip is. Je zou je even makkelijk kunnen voorstellen dat ‘wraak’ het leidende thema in deze biografie is.

Wraak speelt in elk geval een rol in de relatie tussen Hermans en zijn zuster Corry, die door Otterspeer terecht helemaal wordt doorgelicht. Wim (1921) en Corry (1918) groeiden op in de Eerste Helmersstraat, waar de beroepsmatige en overige frustraties van hun vader, een onderwijzer, alle mogelijke warmte uit de kleine verdieping zogen. Corry reageerde door zich allerbraafst te gedragen, Wim door te rebelleren en zich te isoleren. Het was vreselijk in huis – en het werd er nog erger toen Corry op 14 mei 1940, vier dagen na de Duitse inval met haar minnaar zelfmoord pleegde.

Haar broer heeft haar daarna voornamelijk in grote hatelijkheid geportretteerd, vooral in Ik heb altijd gelijk, de mythe verspreidend dat broer en zus als gezworen vijanden door het leven gingen. Otterspeer laat zien dat de waarheid veel genuanceerder was: Corry en Wim trokken veelvuldig samen op tegen hun hopeloze ouders (moeder zat erbij en keek ernaar). Vandaar ook dat Hermans alle reden had om zich verraden te voelen door Corry’s daad. Zo gezien was de karaktermoord die hij later op haar pleegde een vorm van wraak voor de manier waarop zij hem in de steek had gelaten. Otterspeer verbindt de dood van Corry helder met het alomtegenwoordige dubbelgangersmotief in Hermans’ werk en wijst links en rechts ook nog verwijzingen naar incest aan. De mate waarin hij zich ingegraven heeft in het werk van Hermans is toch al bewonderenswaardig.

Wat de nadruk op de dood van de zuster ook laat zien, is hoe zeer de oorlog Hermans’ leven is binnengevallen: de strijd was amper begonnen of de 18-jarige had al een kolossaal verlies geleden: zó vijandig kon de wereld zijn. Hij probeerde zich zowel aan de oorlog als aan de wereld te onttrekken, in dat licht ziet Otterspeer ook de door hem twee jaar geleden al geopenbaarde aanmelding van Hermans bij de Kultuurkamer. Én in Hermans’ wetenschap dat hij in het schrijven zijn lotsbestemming moest zoeken, ook waar dat economisch moeizaam bleek. De twijfel van de – na de oorlog in een vloek en een zucht beruchte – jonge schrijver Hermans blijkt mooi uit te biografie, zoals Otterspeer ook inkijkjes geeft in de amoureuze correspondenties van de veelversierder die Hermans als twintiger was.

Toch blijven de persoonlijke zaken aan de buitenkant. Episodes die de biograaf met nogal wat aplomb aankondigt – zoals de vriendschap met een zekere Hidde Heringa en zijn verzengende liefde voor Truus Comes – blijven steken in de mededeling dat hier iets groots voorvalt, maar invoelend weet Otterspeer die verhalen niet te maken. Hij voelt zich beter op zijn gemak op het terrein van wat zijn oorspronkelijke opdacht was: een „intellectuele biografie” van Hermans. Dat heeft voor de omvang wat nadelen: het lees- en denkwerk van Hermans wordt wel zeer minutieus vastgelegd, net als het parcours van vakantietochten en wederwaardigheden over docenten bij school en studie. Wat in de driedelige Reve-biografie van Nop Maas de repeterende seksscènes waren, zijn hier de denkscènes uit Hermans’ bestaan – hoe scherpzinnig diens gedachten over Kafka en Céline ook zijn.

Tierend janken

Wat Otterspeer wel weer goed doet, is het bij de les houden van de lezer met formuleringen die meer tonen dan zeggen. Het verzet tegen een tirannieke vader is „bij Hermans naar buiten gericht in een tierend janken”. Soms balanceert hij op de rand van koketterie, met aardigheden als: ‘En volgens Juusje, die dat malicieus aan Wim verklapte (net zo malicieus als de biograaf die het doorvertelt), had Gomperts last van ejaculatio praecox.’

Otterspeer zegt veel, maar laat ook zaken lopen. Hij besteedt weinig aandacht aan de dwangmatigheid waarmee Hermans – uit teleurstelling, wraak of voor de aardigheid – vrienden in de ban kon doen. Ook is het vreemd dat Hermans ineens een donkere kamer bouwt, terwijl we nog amper iets over zijn fotografie hebben gelezen. Wel citeert hij een prachtige boze brief van Adriaan Morriën, die Hermans verwijt dat zijn geschriften èn zijn foto’s „executies” zijn.

Die gaten kunnen natuurlijk allemaal in het tweede deel worden opgevuld – als dat past. Want als dit boek na bijna 800 pagina’s eindigt, is het 1952 en heeft de 31-jarige Hermans nog 43 jaar (Mandarijnen, Damokles, Groningen, Parijs, Nooit meer slapen) te gaan, terwijl er wel al heel veel is gezegd. Zo dreigt er na een wijdlopig eerste deel van De mislukkingskunstenaar een zeer gecomprimeerd tweede deel te komen. En hoe evenwichtig is het eindresultaat dan? Je verwacht in het vervolg ook nog ruimte voor de wijze waarop het schrijverschap van Hermans in de loop der jaren is veranderd. Mijn gok is dat de biograaf weleens drie delen nodig zou kunnen hebben om zijn hele verhaal te vertellen. Dan openbaart zich misschien ook een strakkere of andere leidraad dan de mislukking. De mislukkingskunstenaar heeft het in zich om een goede, misschien zelfs een uitstekende biografie te worden – maar het boek is nog lang niet af.