LEZERS VERDWALEN

Anne Reichgelt wilde ’s nachts dwars over de Utrechtse Heuvelrug naar huis lopen.

„We staan op station Driebergen-Zeist. De laatste bus naar Austerlitz is al uren geleden vertrokken. Een taxi vinden we te duur. Geen probleem, dan lopen we gewoon een uur over de Utrechtse Heuvelrug, het is tenslotte volle maan. Maar eenmaal in het bos blijkt de maneschijn geen voordeel, de lichtbanen scheppen de illusie van paden die niet bestaan. Wanhopig ploeteren we door struiken, schampen langs bomen. Schaduwen lijken te bewegen. Als we nu de Grote Beer rechts houden, lopen we in ieder geval de goede kant op. Maar na een uur stijgende radeloosheid staat het sterrenbeeld links en zijn wij terug bij de grote weg. We kiezen eieren voor ons geld: de omweg via het schelpenfietspad.”

De moeder van Annemarie Bijlard-Grimmelt verdwaalde in Hoenderloo in de sneeuw .

„Mijn moeder, ver in de zeventig, ging op een mooie winterse dag met mijn broer wandelen in het Deelerwoud bij Hoenderloo. Het had de hele week gesneeuwd maar de wegen waren schoon. Terwijl zij dieper het bos in liepen, merkten zij dat de wegwijzers onder de sneeuw waren verdwenen. Ze waren verdwaald! Het begon al te schemeren toen ze aan de rand van het pad op een dikke boomstam gingen zitten. Mijn broer die met een stok liep was van streek, hij kon geen stap meer verzetten. Ze werden bang, mijn moeder huilde. Plotseling hoorden ze in de verte een zacht geronk. Het geluid kwam dichterbij: de boswachter op zijn tractor! Hij liet het verdwaalde stel meerijden naar hun auto. Die stond, zo bleek, drie kilometer verderop.”

Willem de Weert en zijn stiefzoon uit Bergen op Zoom raakten met Kerst in België verzeild.

„Het kerstkamp van de scouting was afgelast. En mijn stiefzoon had juist zo’n zin in een avontuur. We lieten ons in ’s Hertogenbosch afzetten en begonnen goedgemutst aan een voettocht terug naar Bergen op Zoom. Honderd kilometer dwars door Brabant! Het eerste deel schoot lekker op. Als Maria en Jozef klopten we aan het einde van de dag in Bavel aan bij een oude studievriend. Op tweede kerstdag zaten de vijftig kilometer van de vorige dag nog in de benen, de spieren protesteerden, maar het zag ernaar uit dat we het gingen halen. Voorbij Nispen viel de duisternis in. Alle wegen leken op elkaar, straatnaamborden ontbraken. De uren ging voorbij. Het leek wel of we een rondje liepen. Toen plotseling: elektriciteitspalen boven de grond, een auto met rood nummerbord, rolluiken voor de ramen; we zaten in België! De moed zonk ons in de schoenen. Zouden we mijn vrouw bellen om ons op te halen? Hoe verleidelijk ook, dat zou toch een afknapper zijn. Via vervelende maar goed verlichte hoofdwegen bereikten we rond drie uur ’s nachts, strompelend, Bergen op Zoom.”